
Tweegesprek Jos Teunissen en Monique van Kempen
“Als we samen willen verbeteren, moeten we samen optrekken.”
Jos Teunissen is adviseur geur en geluid bij de omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Monique van Kempen is beleidsmedewerker Milieu en projectleider industriële geur bij de provincie Noord-Brabant. De twee werken met collega’s aan een herziene versie van de beleidsregel industriële geur. Samen verkennen ze grenzen, grijze gebieden en kansen op gezondheidswinst.
Blootstelling aan geur kan stress-gerelateerde gezondheidseffecten veroorzaken zoals hoofdpijn, misselijkheid en vermoeidheid. Geluid kan leiden tot hinder, slaapverstoring en stress. Dit zijn effecten die kunnen leiden tot een hogere bloeddruk en verhoogde niveaus van het stresshormoon cortisol, waardoor het risico op hart- en vaatziekten en psychische aandoeningen wordt verhoogd. Verminderen van geur- en geluidshinder kan bijdragen aan de ambitie van de provincie Noord-Brabant om drie gezonde levensjaren erbij voor iedere Brabander te realiseren. Maar hier uitvoerbaar beleid op maken is ingewikkeld, onder andere omdat geuroverlast niet makkelijk objectief vast te stellen is en het vergunnen, toezicht houden en handhaven niet alleen een taak van de provincie is, maar ook van gemeenten. De overlast van industriële geur op de gemiddelde Brabander is niet groot, vertelt Jos Teunissen. “Maar er zijn plaatsen die lokaal veel problemen hebben. Bij een bepaalde windrichting kunnen bewoners van de een nabijgelegen woonwijk bijvoorbeeld veel last hebben van een industrieterrein.” Problemen rond industriële overlast kunnen ontstaan bij uitbreiding van de industriële activiteiten of door uitbreiding van bebouwd gebied, ziet Teunissen. “Waar aanvankelijk geurhinder niet zo’n item is, kan het door nieuwe ontwikkelingen wel ontstaan.”
Hedonisch waarderen
De nieuwe beleidsregel industriële geur moet Omgevingswet-bestendig zijn en zaken aanpakken die in de uitvoering te weinig eenduidig zijn gebleken. De expertise van professionals zoals Teunissen is hier onmisbaar, vertelt Van Kempen, vooral omdat de praktijk soms weerbarstig is en belangen uit elkaar lopen. “Een duidelijk voorbeeld hiervan is dat bedrijven die een vergunning aanvragen zelf een hedonische waardenlijst moeten laten vaststellen en geuren aangenamer gelabeld worden dan in de praktijk ervaren wordt. Dit houdt in dat er door laboratoria een mate van (on)aangenaamheid aan een geur wordt toegekend, die door bewoners bijvoorbeeld anders wordt ervaren. Onder andere ‘de duur van de blootstelling aan’ speelt hierbij een rol”. Om aan dit soort problematiek het hoofd te bieden wordt op landelijk niveau onderzocht of een normenlijst voor veelvoorkomende geuren opgesteld kan worden. Jos Teunissen pleit ervoor om in de nieuwe beleidsregel industriële geur duidelijke regels vast te leggen en een Brabantbrede koers neer te zetten. “Dat maakt het gesprek voor medewerkers van omgevingsdiensten met bedrijven en haar adviseurs makkelijker.” Verder ziet hij graag dat de Brabantse omgevingsdiensten zich horizontaal goed organiseren en meer onderling samenwerken op dit kleine maar specialistisch vakgebied. “Daardoor kunnen we van elkaar leren.”

Afstemming
Het herschrijven van de beleidsregel industriële geur, de uitvoeringspraktijk en de invoering van de Omgevingswet vraagt veel afstemming tussen provincie en de drie Brabantse omgevingsdiensten, vertelt van Kempen. “De provincie wil toe naar een meer integrale afweging: milieu, geluid, veiligheid, geur, ook in relatie tot gezondheid en kwaliteit van de leefomgeving. Het is complex en we kunnen niet alles zomaar veranderen.” Voor de implementatie van de Omgevingswet vindt veel overleg plaats met collega’s van het programma Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH). “Zij moeten klaar zijn voor de nieuwe wet.” Afstemming vindt ook plaats met de verschillende andere provinciale programma’s en de drie Brabantse omgevingsdiensten. Van Kempen: “Invoering van de Omgevingswet biedt uitdagingen en kansen. Als we samen willen verbeteren, moeten we samen optrekken. Het is ook een organisatievraagstuk: Hoe gaan we dit met elkaar doen en wat kunnen we aanpassen?” Van Kempen en Teunissen pleiten ook in het reguliere werk voor goed en regelmatig afstemmen. “Weet als vergunningverlener op welke momenten het nodig is om met mensen van de provincie in gesprek te gaan. Vaak heb je een grijs gebied, dan is overleg belangrijk. Ga te rade bij collega’s van andere omgevingsdiensten, durf contact te leggen met de provincie. Het levert betere vergunningen op, waar het bevoegd gezag achter kan staan en niet waarmee ze pas geconfronteerd worden als er al een ontwerpbeschikking ligt.”