5. HOE GA JE DIT ORGANISEREN?
Voor actieve ondersteuning van bewoners heb je een onafhankelijke, langdurige en lokaal verankerde ondersteuningsstructuur nodig die de komende twintig jaar aanwezig is: de bondgenoot. Juist vanwege de continuïteit en de inbedding in de lokale structuur is ons advies dat de gemeente zoveel mogelijk zelf organiseert en uitvoert. Natuurlijk kun je bij deze lokale infrastructuur op onderdelen gebruik maken van externe partijen en vrijwilligers, zolang je zelf maar de regie houdt over de organisatie en het lange termijn doel (kort door de bocht: een aardgasvrije gemeente) in beeld houdt.
Voordat je de wijk ingaat
Voordat je als gemeente de wijken ingaat, is het noodzakelijk om de ondersteuningsstructuur op orde te hebben, zodat alle inwoners straks in staat zijn om hun woning te verduurzamen. Zo geef je invulling aan een vraaggestuurde aanpak.
Bondgenoot
Je kunt deze ondersteuningsstructuur (de bondgenoot) organiseren op vier niveaus, hieronder weergegeven als piramide. We hebben deze piramide omgedraaid om te illustreren dat het draait om het eerste niveau, het directe contact met de woningeigenaar.

Niveau 1: direct contact met de woningeigenaar
Hier opereren de mensen die direct in contact staan met de woningeigenaren: professionals en vrijwilligers, zoals begeleiders en energiecoaches. Op dit niveau zijn ook marktpartijen actief, zoals professionele energieadviseurs, aannemers en aanbieders van maatregelen. Het is zinvol om ook deze partijen te betrekken bij de ondersteuningsorganisatie. Door samenwerking kan de aanpak beter worden afgestemd.
De inzet van vrijwilligers blijkt in de praktijk goed te werken. Zij helpen de bewoner op vrijwillige basis en zijn daardoor (gevoelsmatig) onafhankelijker. Ook kennen ze de lokale omgeving goed.
We hebben in alle gemeenten energiecoaches opgeleid om blowerdoortesten uit te voeren. In de gemeenten Moerdijk en Drimmelen hebben we projecten zo opgezet dat ze door vrijwilligers gedaan konden worden, naar voorbeeld van Doe de lek check.
Voorwaarde voor het goed kunnen functioneren van het eerste niveau is dat de andere drie niveaus goed zijn georganiseerd.
Niveau 2: de buurt of wijk
Het tweede niveau is dat van de buurt of de wijk. Hier opereren bijvoorbeeld de buurtwerker, de wijkcoördinator en de netbeheerder. Dit is ook het niveau van het wijkuitvoeringsprogramma voor de uitvoering van de transitievisie warmte. Op dit niveau wordt gekeken naar het (toekomstige) energiesysteem van de buurt, collectieve acties, en dergelijke. Vaak zal de communicatie ook specifiek worden afgestemd op de kenmerken van een wijk.
Niveau 3: organisatie van kennis
De ondersteuningorganisatie beschikt over alle kennis die nodig is om de bewonersreis succesvol uit te voeren. Voor een succesvolle energietransitie is een brede kennis nodig: technisch, financieel, sociaal en communicatief. Dit is een vereiste voor elke gemeente, maar ze hoeven deze kennis niet allemaal zelf te regelen. Ze kunnen ook samenwerken met omliggende gemeenten. Zorg voor een goede verbinding en kennisoverdracht tussen niveau 1 en 3, bijvoorbeeld door regelmatig trainingen te organiseren.
Niveau 4: reisleiding
Het vierde niveau is het besturingscentrum. Hier worden strategische en tactische keuzes gemaakt over zaken als het warmtesysteem van de toekomst, de planning van de uitvoering per wijk, de koppeling met het regionale/landelijke energienetwerk, enzovoorts. Hier wordt ook al het werk gecoördineerd, zoals het programmamanagement van de bondgenoot. Ook dit niveau kunnen gemeenten samen organiseren.
Klein beginnen met groot resultaat
Het vraagt een grote inspanning om een ondersteuningsorganisatie op te zetten die minstens twintig jaar actief blijft. Daarbij is het lastig om deze organisatie eerst volledig op te bouwen, op te zetten en dan pas de wijken in te gaan. Het is namelijk ook een proces waarin samen met bewoners geleerd wordt hoe de beste ondersteuning tegen aanvaardbare kosten geboden kan worden. Een mogelijkheid is om in elke gemeente (of parallel in een aantal wijken) te starten met een ‘kennis- en leertraject’ (KLT).
Een kennis- en leertraject helpt namelijk om:
- samen met lokale stakeholders te bouwen aan de ondersteuningsorganisatie
- kennis op te doen (voor de derde laag van de driehoek)
- de gemeentelijke organisatie mee te nemen
- het lerend vermogen van de gemeentelijke organisatie te ontwikkelen
- bewoners mee te nemen (ontwikkelen van draagvlak)
- ambassadeurs te creëren (enthousiaste bewoners die eerste stappen hebben gezet)
Kortom, het advies is om klein te beginnen. Bijvoorbeeld met het opzetten van een klein team van lekcheckers dat aan de slag gaat met tien woningen, die dienen als leeromgeving. Daarnaast kunt je een klusdienst opzetten om voor deze woningen ‘de basis op orde’ te brengen. Vervolgens kun je het team van lekcheckers verder uitbouwen zodat meer woningeigenaren geholpen kunnen worden en zo stap voor stap opschalen.
Noot: Klein beginnen is iets anders dan een pilot starten. Bij een pilot wordt een nieuwe aanpak getest. Bij klein beginnen is de aanpak in grote lijnen bekend en bouw je de organisatie langzaam maar gestaag uit richting het eindbeeld: van 5 naar 10, naar 25 naar 250 naar 5.000 woningen.