2. OP WELKE DOELGROEP(EN) RICHT JE JE AANDACHT?
De energietransitie gaat alle inwoners van de gemeente aan. Iedereen zal uiteindelijk zijn woning duurzaam moeten verwarmen. Je kunt niet iedereen tegelijk helpen. Wie hebben er hulp nodig en wie niet? Voor welke groep maakt hulp het echte verschil?
Vier groepen bewoners
1. Willen en kunnen
Deze groep heeft de wil en de (financiële) middelen, en voldoende kennis en contacten. Deze mensen weten veelal zelf de weg te vinden naar informatie, advies en subsidies. Doordat ze geld hebben om te investeren en de ingewikkelde formulieren begrijpen voor het aanvragen van subsidies, zijn zij degene die het meest profiteren van de huidige regelingen.
2. Willen wel, maar kunnen niet
Dit is een grote groep. Deze mensen willen hun huis verbeteren, voor het milieu, om de energierekening te verlagen of voor meer comfort. Maar er staat te weinig geld op hun spaarrekening, ze kunnen geen geld lenen (of zijn daar huiverig voor). Ook is men niet altijd (digi)taalvaardig genoeg om informatie te zoeken en te interpreteren. Of er zijn persoonlijke omstandigheden die ervoor zorgen dat ze onvoldoende mentale ruimte hebben om hiermee bezig te zijn.
3. Willen niet, maar kunnen wel
Deze groep heeft voldoende geld en organisatievermogen, maar wil om uiteenlopende redenen (nog) niet aan de slag. Bijvoorbeeld omdat ze op leeftijd zijn, wachten op de overheid, verhuisplannen hebben of technische ontwikkelingen afwachten. Deze groep sluit vaak vanzelf aan wanneer voor hen het juiste moment is aangebroken.
4. Willen niet en kunnen niet
Deze groep wil geen verandering, vindt de discussie rond duurzaamheid onzin, ziet voor zichzelf geen voordelen om het huis te verduurzamen en heeft hier evenmin het geld of organisatorische capaciteiten voor. Deze groep in beweging proberen te krijgen, is het welbekende ‘trekken aan een dood paard’. Als ze om zich heen mensen zien die wél aan de slag gaan en die profijt hebben van de genomen maatregelen, ontstaat bij deze groep vaak alsnog een gevoel van ‘missing out’, en komt ze schoorvoetend in beweging. Dan gaan ze deel uitmaken van de groep ‘willen wel, maar kunnen niet' en kan de aanpak voor deze groep hen verder helpen.
Voor het activeren van bewoners zijn verschillende strategieën nodig. Voor groep 1 is een oproep vaak al voldoende, groep 2 heeft individuele begeleiding en praktische hulp nodig, en groepen 3 en 4 moeten eerst overtuigd worden van nut en noodzaak om hun woning aardgasvrij te maken.
Ons advies: Richt je op de mensen die wel willen, maar (nog) niet kunnen
Wij adviseren om gemeentebreed in te zetten op de doelgroep "willen, maar niet (zonder hulp) kunnen". Vertrouw erop dat bewoners die willen en kunnen, zelf verder gaan. Begin met het geven van inzicht en start met ‘de basis op orde maken’ (zie blok 1). Met betrekkelijk eenvoudige middelen zoals kierdichting kan al veel bespaard worden (gemiddeld tien tot twintig procent van de verwarmingskosten), een besparing die deze doelgroep hard nodig heeft om het gezinsinkomen op peil te houden.
Er is nog een reden om de focus op de doelgroep ‘willen, maar niet kunnen’ te richten. Als de groep ‘willers en kunners’ extra gestimuleerd wordt, raakt de groep die nog niet mee kan doen, steeds verder achterop. Dat komt omdat de meeste koplopers kiezen voor individuele oplossingen (zoals warmtepompen). Dit maakt het lastiger om nog een collectieve oplossing te realiseren. Een oplossing waar juist de groep met een smallere beurs waarschijnlijk het meest bij gebaat is.
Wat heeft deze groep nodig? Inzicht krijgen in de woning, maatregelen en kosten; het maken van een plan en het stellen van prioriteiten; hulp bij het vinden van financiering en hulp bij de uitvoering (van een klussendienst, tot het beoordelen van offertes van leveranciers).