Voor ca. vier bouwjaren aan harde plannen
Voor de periode 2025 tot en met 2029 is het totale planaanbod in Brabant bijna 119.000 woningen groot. Hiervan behoort bijna 55% tot het zogenoemde harde plancapaciteit. Dit betekent dat ruim 65.000 woningen zijn opgenomen in een onherroepelijk of vastgesteld omgevingsplan. Van dat harde planaanbod is 37,5% (44.500 woningen) onherroepelijk en valt 17,5% onder de noemer vastgestelde plannen (20.500 woningen). Afgezet tegen de uitkomsten van onze provinciale prognose is hiermee 73% van de op korte termijn benodigde woningbouwcapaciteit opgenomen in harde plannen (beeld 8b). Het harde planaanbod dat in 2025 beschikbaar is in onze provincie, is goed voor 3,5 tot 4 jaar (benodigde) woningbouwproductie.
Voor de middellange en langere termijn is (uiteraard) een steeds kleiner deel van het planaanbod ‘hard’ en zien we met de jaren het accent meer en meer verschuiven naar zachte plannen; capaciteit in ontwerpplannen, in planologische voorbereiding en potentiële capaciteit.
Uit beeld 8a blijkt dat de harde plancapaciteit van jaar op jaar een vrij constant beeld laat zien, zowel wat betreft omvang als fasering. Dit betekent dat tegenover de jaarlijkse oplevering van gereed gekomen woningbouwprojecten (afname harde plancapaciteit) er steeds ook weer – en in een vrijwel gelijke omvang qua woningbouwaantallen – nieuw hard planaanbod beschikbaar komt.
Het schrappen en (her)faseren van woningbouwplannen, zoals in de jaren na de kredietcrisis (2008-2015), maar ook het weer opvoeren van tal van (oude en nieuwe) woningbouwlocaties in de afgelopen jaren, is vooral van invloed op het zachte planaanbod. Veranderingen in de omvang van de totale plancapaciteit voor woningbouw worden dan ook voornamelijk bepaald door de variatie in zachte plannen.
Ruim planaanbod; overal in Brabant en zeker voor de korte termijn
Ook regionaal bezien (beeld 8b) is ruim voldoende planaanbod voorhanden, zeker voor de eerstkomende vijf jaren. Dit betekent voor alle onderscheiden regio’s ook, dat een deel van de (over)capaciteit voor de korte termijn – Brabant-breed 132%, zie beeld 7 – zal doorschuiven naar de tweede vijfjaarsperiode (2030-2035). Bovendien leert de ervaring, dat er zich van jaar op jaar ook steeds weer nieuwe woningbouwlocaties aandienen en dus plannen bijkomen.
Vrijwel overal in Brabant is voor de eerstkomende vijf jaren (2025 tot en met 2029) doorgaans de helft van de benodigde capaciteit al in onherroepelijke plannen vastgelegd. Voegen we daarbij ook de vastgestelde plannen, dan is van het benodigde planaanbod gemiddeld genomen steeds zo rond de 70% opgenomen in harde plannen.
Regionaal variëren deze scores van 61% in West-Brabant-West en 70% in Zuidoost-Brabant tot ca. 75% in Noordoost-Brabant en 77% in de Stedelijke Regio Breda-Tilburg. In het stedelijk gebied (74%) liggen de scores iets hoger dan in het landelijk gebied (71%). Ten opzichte van het benodigde planaanbod ligt m.n. in de grote steden (73%) en de middelgrote steden (75%) al een groot deel vast in harde plancapaciteit.
Flexibiliteit in planning en programmering
Voor voortgang van de woningbouw is het essentieel dat er voor de korte termijn steeds voldoende harde plannen zijn. Door er van jaar op jaar steeds voor te zorgen dat er voor de eerstkomende jaren (ruim) voldoende (hard) planaanbod is, kan de voortgang van de bouw worden gewaarborgd. Plannen voor woningen op geschikte plekken die aansluiten op de actuele vraag.
Voor de middellange en langere termijn is het juist van belang te waken voor de risico’s van overprogrammering en dús de nodige ruimte te laten en niet te veel van het toekomstige woningbouwprogramma nu al vast te leggen in harde plancapaciteit, vooral niet als het gaat om nieuwe uitbreidingslocaties. De ervaring leert immers dat zich steeds weer nieuwe, vaak onvoorziene inbreidingsmogelijkheden, binnenstedelijke transformatieopgaven en leegstandsvraagstukken aandienen.
Met een flexibel planaanbod kan bovendien gemakkelijker worden ‘meebewogen’ met veranderingen in de vraag. Onzekerheden rond demografische, economische en woningbehoefteontwikkelingen vragen om een adaptieve strategie en een gevarieerd planaanbod met aandacht voor de betaalbaarheid, een gezonde mix van huur en koop in verschillende prijssegmenten en met volop ruimte voor nieuwe woonvormen.
In ons provinciale beleid met betrekking tot ‘ruimte en wonen’ zijn realisme en flexibiliteit in de gemeentelijke en regionale woningbouwplanning en -programmering belangrijke onderwerpen. Het zijn voorwaarden om ook in de (nabije) toekomst goed in te kunnen spelen op de dynamiek op de woningmarkt, veranderende woonwensen en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in onze steden en dorpen en soms ook in het buitengebied.



