Ambitieweb

Energie en CO2
Materialen
Water en klimaatadaptatie
Bodem
Ecologie en biodiversiteit
Ruimtegebruik
Ruimtelijke kwaliteit
Welzijn
Sociale relevantie 
Bereikbaarheid
Investeringen
Vestigingsklimaat

Klik op de onderstaande hotspots om naar de ambitiewebteksten te navigeren. Je kunt aan het einde van de ambitiewebtekst terug naar het ambitieweb bovenaan de pagina. Hieronder vind je het Generieke Ambitiewebniveau van Brabant, vastgesteld in september 2022.

Energie (en CO2 reductie)

De bouw, het beheer en sloop van infrastructuur vragen veel energie en CO2.

We passen de basisvuistregels toe van de Trias energetica.

  • We zetten eerst in op beperking van ons energiegebruik door verspilling tegen te gaan.
  • Vervolgens maken we maximaal gebruik van energie uit duurzame bronnen, zoals wind-, water- en zonne-energie.
  • Wanneer energiebesparing, of gebruik maken van duurzame bronnen niet mogelijk is, maken we zo efficiënt mogelijk gebruik van (fossiele) brandstoffen om ons in de resterende energiebehoefte te voorzien.

Met deze insteek wordt ook gestuurd op de verlaging van de CO2-emissie. NB Deze aanpak draagt op onderdelen tevens bij aan het verlagen van stikstof.

Binnen aanleg, beheer en onderhoud van provinciale infrastructuur zijn er met name kansen voor verdere energiebesparing bij aanleg en onderhoud van infrastructuur, sturen op het uitfaseren van gebruik van fossiele brandstoffen (verbrandingsmotoren) en stapsgewijs overgaan op zero emissie bouwmaterieel. Verder verkennen we de mogelijkheden voor het gebruik van onze assets voor de opwekking van energie (in onderzoeken en/of in pilotvorm).

Onze inzet gaat primair over het verduurzamen van energiegebruik en verminderen van CO2-emissies bij aanleg, beheer en onderhoud. Het energieverbruik in de beheerfase is hier expliciet onderdeel van.

Het realiseren van energieopwekking in het areaal maakt geen deel uit van de basisopgave. Dit kan alleen met aanvullende financiering uit andere bronnen aan een project toegevoegd worden. Dat geldt ook voor aanvullende maatregelen die getroffen worden om de CO2-uitstoot door gebruik van de weg te verminderen.

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering (op basis van provinciaal beleid)

Inzicht en minimaal niveau van verbetering. Op dit niveau is inzicht gewenst in de belangrijkste energiestromen van het project gedurende de hele levensduur van de assets, in de te gebruiken energiebronnen en in kansen voor besparing en duurzame opwekking. Daarnaast is inzicht gewenst in de belangrijkste CO2-emissies van het project gedurende de gehele levensduur en in kansen om deze CO2 emissies te verminderen. Dit betreft projecten die vóór 2030 worden gerealiseerd.

  • Als minimum eis voor beton worden de maximale MKI-plafondwaardes van Bouwcirculair gebruikt.
  • Als minimum eis voor asfalt wordt een MKI gehanteerd die 10% lager ligt dan het branchegemiddelde. [Cf. Marktvisie Duurzame Wegverharding Buyer Group]

Doelstellingen

We zetten in op een reductie van ten minste 50% minder CO2-uitstoot (in CO2-equivalenten) bij onze opgaven in 2030 (ten opzichte van 1990) (KOPI). Tot nader orde wordt ervanuit gegaan dat de situatie in 2010 hiervoor als referentie wordt gebruikt. De aanvullende ambitie is dat we in 2030 zoveel mogelijk klimaatneutraal werken (uit Ambitiebepaling Provinciale Klimaatneutrale Infrastructuur/KCI).

Het minimum niveau uit het transitiepad SEB/Weg-, dijk- en spoormaterieel wordt als eis toegepast.

Inzicht en minimaal niveau van verbetering. Op dit niveau is inzicht gewenst in de belangrijkste energiestromen van het project gedurende de hele levensduur van de assets, in de te gebruiken energiebronnen en in kansen voor besparing en duurzame opwekking. Daarnaast is inzicht gewenst in de belangrijkste CO2-emissies van het project gedurende de gehele levensduur en in kansen om deze CO2 emissies te verminderen. Er wordt minimaal ingezet op een CO2-reductie van 25% in vergelijking met de referentie footprint. Dit betreft projecten die vóór 2030 worden gerealiseerd.

  • Als minimum eis voor beton worden de maximale MKI-plafondwaardes van Bouwcirculair gebruikt.
  • Als minimum eis voor asfalt wordt een MKI gehanteerd die 10% lager ligt dan het branchegemiddelde. [Cf. Marktvisie Duurzame Wegverharding Buyer Group]
  • Het minimum niveau uit het transitiepad SEB/Weg-, dijk- en spoormaterieel wordt als eis toegepast.

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Meetbare/ verifieerbare doelstellingen en het bereiken van een significante verbetering. Bovenop de doelstellingen van niveau 1 dienen maatregelen te worden getroffen om een relevante reductie op energiegebruik en CO2-uitstoot te behalen. Er vindt relevante energie (en CO2)-besparing plaats. Er wordt minimaal ingezet op een reductie van 50% CO2 -reductie in vergelijking met de referentie footprint.

  • Als minimum eis voor asfalt wordt een MKI gehanteerd die 25% lager ligt dan het branchegemiddelde. [Cf. Marktvisie Duurzame Wegverharding Buyer Group]
  • Het basisniveau uit het transitiepad SEB/Weg-, dijk en spoormaterieel wordt ingezet als eis.
  • Binnen alle infra projecten wordt gestuurd op het verlagen van de project MKI via een gunningscrirerium.

Ambitieniveau Brabant

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie. Bovenop de doelstellingen van niveau 1 en 2 dienen meetbare/ verifieerbare doelstellingen te worden vastgesteld, waarmee ‘het meest haalbare’ op gebied van energie en CO2-reductie wordt behaald. Het project is klimaatneutraal.

Het ambitieuze niveau uit het ingroeipad van het transitiepad SEB/Weg-, dijk- en spoormaterieel wordt op portefeuille niveau ingezet. Dat betekent dat een in de tijd toenemend percentage Zero emissie materieel wordt ingezet, in een toenemend percentage van de projecten.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • Een variantenafweging op milieukosten (MKI)
  • Voorkomen van bouwactiviteiten
  • Verbieden fossiele brandstoffen of tenminste een bepaald percentage HVO eisen daar waar nog fossiele brandstoffen worden ingezet.
  • Als maatwerk emissie-eisen ophogen van mobiele werktuigen t.o.v. het ingroeipad als dat duidelijke meerwaarde heeft.
  • Inzet van procesmaatregelen uit het transitiepad.
Ga naar ander thema

Materialen

a) Materiaalgebruik

De provinciale infrastructuur willen we circulair gaan ontwerpen, bouwen en onderhouden. Bij het huidige lineaire ontwerpen wordt ervan uitgegaan dat een object slechts voor één levenscyclus wordt gebruikt en vaak nog voor het einde van de technische levensduur wordt gesloopt. Circulair ontwerpen is het maken van keuzes voor de huidige én toekomstige levenscycli van een object. Bij een circulair ontwerp denk je vooraf al na over onder andere levensduur en over toekomstig (her)gebruik van materialen. Om van circulair handelen gemeengoed te maken, maken we gebruik van de 8 circulaire ontwerpprincipes van Rijkswaterstaat.

Preventie

  1. Voorkom dat er iets gebouwd wordt. Ga op zoek naar een oplossing waar geen materiaal voor nodig is of een efficiëntere oplossing. Een voorbeeld is om in plaats van voor een wegverbreding voor betere ov- of fietsverbindingen te kiezen.

Waardebehoud

Benut de waarde in bestaande infrastructuur voor een volgende levenscyclus. Dit is vooral relevant bij aanpassing, vervanging of renovatie van infrastructuur.

  1. Verleng de levensduur van bestaande objecten of componenten.
  2. Maak gebruik van dat wat er al is: materialen, grondstoffen, en natuurlijke processen.

Waardecreatie

Creëer zoveel mogelijk waarde voor de langere termijn met zo min mogelijk materiaal

  1. Ontwerp voor meerdere levenscycli. Ontwerp op zo’n manier dat onderdelen van een asset op een later moment opnieuw gebruikt kunnen worden.
  2. Ontwerp toekomstbestendig.
  3. Ontwerp voor optimaal beheer en onderhoud
  4. Ontwerp met duurzaam materiaalgebruik
  5. Ontwerp met minimaal grondstof- en energiegebruik in de aanleg en gebruiksfase

a) Materiaalproductie en aanleg:

Sociale aspecten met betrekking tot de herkomst van materialen (sociale omstandigheden productieproces, mensenrechten).

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering (op basis van provinciaal beleid)

Op dit niveau is er inzicht in de objecten (assets) die worden toegevoegd en het materiaal dat wordt gebruikt in het project. Daarnaast is inzicht nodig in de eigenschappen van de toegepaste materialen (denk aan milieu-impact, onderhoudsbehoefte, herbruikbaarheid). Gestreefd wordt naar duurzamer materiaalgebruik dan in de ‘grijze situatie’ (de situatie zonder dat duurzaamheidsmaatregelen worden getroffen). Hierbij kan ingezet worden op:

  • Inzet op toevoeging van minder objecten, minder materiaalgebruik
  • Toepassen hoogwaardig hergebruik van producten en materialen
  • Levensduur passend bij doel van het ontwerp
  • Toepassen recycling van materialen: Denk aan minimaal 40% PR bij asfalt (wanneer beschikbaar, zonder de CO2-footprint significant te verhogen) Denk aan minimaal 25% gerecycled beton (wanneer beschikbaar, zonder de CO2-footprint significant te verhogen)

Doelstellingen

We dragen vanuit onze beheer en onderhoudsopgave bij aan de totale opgave van 50% vermindering van het primair grondstoffengebruik in 2030 (KOPI). De aanvullende ambitie is dat we in 2030 zoveel mogelijk klimaatneutraal werken (uit Ambitiebepaling Provinciale Klimaatneutrale Infrastructuur).

Ambitieniveau Brabant

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Bovenop de maatregelen bij ambitieniveau 1 dient er een significante verbetering plaats te vinden. Dit kan bereikt worden door:

  • Efficiënt ontwerp, met afname van gebruikte materialen. Bijvoorbeeld door kritisch naar standaarddetails te kijken en maatwerk te leveren
  • Hergebruik van objecten in eigen areaal
  • Gebruik van modulair, demontabele onderdelen
  • Minimalisering gebruik van schaarse niet-hernieuwbare materialen
  • Mogelijkheden verkennen om materiaalpaspoorten in te zetten
  • Eisen te stellen aan schadelijke emissies
  • Toxische materialen te minimaliseren (zink, plastics)

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Bovenop de maatregelen bij ambitieniveau 1 en 2 dient het ‘meest haalbare’ te worden gerealiseerd.

Recycling van materialen;

  • Denk aan minimaal 75% PR bij asfalt (wanneer beschikbaar, zonder de CO2-footprint significant te verhogen)
  • Denk aan minimaal 50% gerecycled beton (wanneer beschikbaar, zonder de CO2-footprint significant te verhogen)

Maatregelen om het ‘meest haalbare’ te realiseren dienen onderzocht te worden en aantoonbaar te worden genomen. Zo kan een volledig circulair grondstofgebruik worden nagestreefd. Hierbij gaat het om hoogwaardig horizontaal hergebruik (geen downcycling).

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • We zorgen voor klimaatbestendige infrastructuur met aandacht voor bereikbaarheid van vitale en kwetsbare functies. Ipv klimaatadaptatie wordt meegenomen in de driehoek kosten, prestaties risico’s.
  • Toepassen minder objecten en materialen.
  • Toepassen materialen met lagere MKI.
  • Circulaire ontwerpprincipes toepassen: repareerbaarheid, demontabel, flexibel modulair ontwerp.
  • Spaarzaam materiaal gebruik, beperken primair grondstofgebruik.
  • Zoveel mogelijk hoogwaardig hergebruik. Denk aan: gebruik maken van de al aanwezig betonconstructies of verharding.
  • Toepassen percentage teruggewonnen materiaal bij asfalt en beton.
  • Toepassen biobased oplossingen waar mogelijk.
  • Inzet op levendsuur passend bij ontwerp.
  • Afstemmen van levensduren van verschillende onderdelen en objecten.
  • Vrijgekomen bomen(materiaal) en planten(materiaal) hergebruiken.
Ga naar ander thema

Water en klimaatadaptatie

a. Waterkwaliteit

Door het afspoelen van het wegdek met regenwater (run-off) komen verontreinigingen (zware metalen, PAKs, minerale olie en chloride (strooizout)) in de berm en soms ook in het grond- en oppervlaktewater terecht. Bij waterkwaliteit gaat het over het (zoveel als mogelijk) schoonhouden van water en verminderen van emissies naar water.

b. Waterkwantiteit (waterveiligheid, adaptief vermogen)

Waterkwantiteit heeft betrekking op de waterveiligheid van overstroombare gebieden en het beschermen van economische waarde achter onze dijken. Dit thema heeft hoofdzakelijk raakvlakken met zaken die onder verantwoordelijkheid van waterschappen vallen.

c. Waterkwantiteit (waterveiligheid, adaptief vermogen)

Waterkwantiteit heeft betrekking op de waterveiligheid van overstroombare gebieden en het beschermen van economische waarde achter onze dijken. Dit thema heeft hoofdzakelijk raakvlakken met zaken die onder verantwoordelijkheid van waterschappen vallen.

d. Klimaatbestendige infrastructuur (voorbereiden tegen risico’s hitte, droogte, wateroverlast, overstromingen)

Klimaatverandering heeft op verschillende manieren invloed op de bereikbaarheid en veiligheid van onze wegen en de bijbehorende objecten. We zorgen voor klimaatbestendige infrastructuur, mede op basis van de resultaten van de klimaatstresstest, de klimaatscenario’s van het KNMI, met aandacht voor bereikbaarheid van vitale en kwetsbare functies. Vanuit hitte kan ingezet worden op minder verhard oppervlak (bijvoorbeeld halfverharding) en verharding die minder warmte uitstoot. Droogte: inzet op waterretentie en vergroenen. Risico's in beeld brengen die ontstaan door wateroverlast: zoals tunnels die onderlopen, wegen die niet meer begaanbaar/bereikbaar zijn.

Ambitieniveau Brabant

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering

Op dit niveau is inzicht gewenst en wordt een minimale verbetering bereikt op:

  • Watervervuiling zoveel als redelijkerwijs kan tegengaan (beperken run-off water);
  • De waterkwantiteit (toe- of afname van waterveiligheidsrisico’s, waterdoorlatend vermogen bodem, minimalisering van verhard oppervlakte);
  • De klimaatrisico’s n.a.v. hitte, droogte en wateroverlast (uit de klimaatstresstest) worden verminderd. Voor onacceptabele risico's worden maatregelen bedacht en uitgevoerd.

Gestreefd wordt naar een systeem dat in ieder geval niet slechter, maar beter scoort dan de huidige situatie of de referentiesituatie.

Doelstellingen

Klimaatadaptatie wordt meegenomen in de driehoek kosten, prestaties, risico's (KOPI)

invoeren: We zorgen voor klimaatbestendige infrastructuur met aandacht voor bereikbaarheid van vitale en kwetsbare functies.

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Om niveau 2 te behalen dienen bovenop niveau 1 maatregelen te worden getroffen om:

  • Innovatieve maatregelen te treffen om de waterkwaliteit te verbeter en watervervuiling tegen te gaan (beperken run-off water).
  • Meer kansen benutten om met gevolgen van klimaatverandering om te gaan: minder verhard oppervlak, verharding dat minder warmte uitstoot, meer vergroening, meer waterretentie.

Er dient een relevante verbetering gerealiseerd te worden ten opzichte van de referentiesituatie.

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Er wordt maximaal ingezet vanuit het project om een maximaal niveau van verbetering te bereiken. Het water- en bodemsysteem is sturend voor de projecten.

  • Emissies naar water worden volledig tegengegaan
  • Het project draagt bij aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Door het herstellen van de systeemwerking zal de kwetsbaarheid voor waterterkort en teveel aan water afnemen. Bijvoorbeeld door waterberging, integratie van waterzuivering, vergroten waterdoorlatend vermogen bodems.
  • Er wordt maximaal ingezet op vermindering van gevolgen van klimaatrisico's in het areaal.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • Het verminderen van emissies naar water
  • Geen gebruik van toxische materialen (denk aan toxische bestrijdingsmiddelen, of zink wegmeubilair)
  • Afstromend water infiltreren in bodem, wadi's, bassins
  • Beperken van verharding en toename groen om hittestress te verminderen
  • Beperken warmte uitstoot vanuit verharding
  • Extra schaduw aanbrengen in areaal
Ga naar ander thema

Bodem

Het thema bodem focust op het, waar mogelijk, duurzaam behouden van het bodemsysteem voor de ecologie en voedselproductie.

Het bodemsysteem heeft een nauwe relatie met het grondwater systeem. Bermen hebben een functie in de bodem en grond-watersystemen. Inrichting, beheer en onderhoud dient functioneel afgestemd te worden op het in stand houden van deze systemen.

Het autoverkeer produceert milieubelastende stoffen door verbranding van brandstoffen, slijtage van voertuigen en van het wegdek. Ook door corrosie van het wegmeubilair wordt milieuverontreiniging veroorzaakt. Door het afspoelen van het wegdek met regenwater (run-off) komen verontreinigingen (zware metalen, PAKs, minerale olie en chloride (strooizout)) in de berm en in het grond- en oppervlaktewater terecht. Het grootste deel van de verontreinigingen accumuleert in de toplaag van de bodem.

A) Bodemkwaliteit (bodemverontreiniging)

Bodemkwaliteit betreft het beperken (en waar mogelijk voorkomen) van bodemverontreiniging en het grondwater en het saneren van verontreinigde grond.

B) Bodemsysteem

Dit is erop gericht om de balans in het bodemsysteem te houden en het bodem- en het grondwatersysteem zo min mogelijk aan te tasten.

C) Archeologie en aardkundige structuren

De in de bodem aanwezige archeologische waardevolle objecten en aardkundige structuren worden bewaard en zo nodig beschermd.

Ambitieniveau Brabant

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering (op basis van provinciaal beleid)

Op niveau 1 wordt voldaan aan wet- en regelgeving van de aanvullingsregeling en wet bodem uit de Omgevingswet, inclusief het daarin opgenomen overgangsrecht van de Wet bodembescherming. Inzicht is gewenst in de belangrijkste effecten van het project op de bodemkwaliteit (verontreiniging) en het bodemsysteem. Het project dient een zo klein mogelijke milieubelasting te hebben op de bodem, het grondwater en/of het oppervlaktewater. Bij nieuwe infrastructurele projecten wordt de in de bodem aanwezige archeologische waardevolle objecten en aardkundige waardevolle, structuren en patronen bewaard en zo nodig beschermd. Bodemverontreiniging wordt gesaneerd als daartoe de verplichting is.

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Om niveau 2 te behalen dienen bovenop niveau 1 maatregelen getroffen te worden om bodemvervuiling en -aantasting als redelijkerwijs mogelijk is te beperken. Er dient een relevante verbetering op te treden ten opzichte van de referentiesituatie. Denk aan de volgende maatregelen:

  • Het voorkomen van emissies naar bodem en grondwater door het voorkomen van toepassing van toxische materialen (zink, plastics)
  • Maatregelen om emissies via verwaaiing tegen te gaan, met een andere soort wegverharding of bosschages.
  • Verwijdering van verontreinigingen uit run-off water door: infiltratie, helofytenfilters, verwijdering van grove delen (zandvang).
  • Het saneren van bodemvervuiling door het functiegericht en kosteneffectief verwijderen van delen van de historische vracht aan bodemverontreiniging.

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie Er treedt verbetering op ten opzichte van de huidige situatie en negatieve effecten worden voorkomen (of gecompenseerd). Om niveau 3 te behalen dienen bovenop niveau 2 meetbare en verifieerbare doelstellingen te worden vastgesteld, waarmee ‘het meest haalbare’ op gebied van bodem wordt behaald. Bijvoorbeeld door bij te dragen aan een schone vruchtbare bodem met een rijk bodemleven, door toxische materialen volledig te voorkomen en door bij te dragen aan het CO2 -bergend vermogen.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • Bronmaatregelen: Het voorkomen van emissies naar bodem en grondwater door geen toxische materialen (zink, plastics) toe te passen.
  • Maatregelen om emissies via verwaaiing tegen te gaan, met een andere soort wegverharding of bossaches.
  • Verwijdering van verontreinigingen uit run-off water door: infiltratie, helofytenfilters, verwijdering van grove delen (zandvang)
  • Saneren van milieuverontreinigende stoffen (asbest, teer kalk-stabilisatie, chroom 6)
  • Toepassing van het juiste bouwmaterieel, let daarbij op dat het bodemleven in stand wordt gehouden
  • Voorkomen toepassing van (toxische) bestrijdingsmiddelen in de berm
Ga naar ander thema

Ecologie en biodiversiteit

Bij aanleg, reconstructie en onderhoud van de provinciale wegen zetten we in op natuurinclusief bouwen en dragen we bij aan sterke ecologische omstandigheden en biodiversiteit (zonder een gevaar te vormen voor verkeersveiligheid en doorstroming). Natuurinclusief bouwen is een manier van bouwen die bijdraagt aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden.

A) Ontsnippering

Vanuit onze basisopgave houden we natuurverbindingen in stand die er al zijn. Provinciale wegen doorsnijden leefgebieden van diersoorten, waardoor deze in hun functioneren belemmerd worden. Dit kan gevolgen kan hebben voor het voortbestaan van de soort.

Bovenop onze wettelijke taak werken we samen met Programma Natuur aan het ontsnipperingsbeleid. Het ontsnipperingsbeleid richt zich op het behoud van aaneengesloten natuur of het herstel hiervan. Het groen langs provinciale wegen speelt een belangrijke rol in de ontsnipperingsopgave voor flora en fauna.

B) Vesterken biodiversiteit

Vanuit aanleg, beheer en onderhoud leveren we een bijdrage aan biodiversiteit. Biodiversiteit gaat om de verscheidenheid aan levensvormen (planten, insecten, dieren) binnen een gegeven leefgebied. Het groen langs de provinciale wegen biedt potentie om bij te dragen aan de biodiversiteit. De focus in onze aanpak ligt met name op al geplande maatregelen ‘natuurinclusief’ uitvoeren. Insecten en dieren hebben voedsel, water en beschutting nodig om te overleven. We creëren deze leefomstandigheden door in te zetten op verschillen in soorten, verschillen in dichtheid, gradiënten, verschillen in bloeitijd, inheemse soorten, het creëren van schuilplekken.

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering (op basis van provinciaal beleid)

Ambitieniveau 1 betekent voldoen aan de voorwaarden vanuit de Natuurbeschermingswet (Aanvullingsbesluit Omgevingswet) en voldoen aan wetgeving in het kader van milieu. De minimale kwaliteitsinspanning op gebied van biodiversiteit bestaat uit het laten bijdragen van groen langs provinciale wegen in het bevorderen van de biodiversiteit in een gebied. De inrichting en het beheer dragen bij aan bescherming van leefgebieden en soorten, en bestrijding en beheersing van invasieve en plaagsoorten. Daarnaast moeten bestaande natuurlijke verbindingen zoveel mogelijk gehandhaafd worden en dienen de negatieve effecten als gevolg van de doorsnijding, conform normen en wetten gemitigeerd te worden.

Inzet op:

  • Ontsnippering met aanleg van faunapassages (met financiering programma Natuur)
  • Inheemse (gebiedseigen) soorten
  • Focus op gevarieerd bomenbestand
  • Verschillen in soorten, dichtheid, gradiënten en bloeitijd

Doelstellingen

In het onderhoud van de provinciale infrastructuur dragen we bij aan een stabieler ecosysteem en versterken we de biodiversiteit (KOPI)

Ambitieniveau Brabant

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Om niveau 2 te behalen dienen op de relevante subthema's een significante verbetering op te treden ten opzichte van de referentiesituatie, zonder een gevaar te vormen voor de verkeersveiligheid en doorstroming.

Te denken is bijvoorbeeld aan:

  • Inzet op natuurinclusief bouwen bij aanleg

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Om niveau 3 te behalen is maximale inzet nodig om het meest haalbare te bereiken ten aanzien van biodiversiteit en ecologische structuren. Zonder een gevaar te vormen voor de verkeersveiligheid en doorstroming. Het project wordt, voor zover dat naar alle redelijkheid mogelijk is, uitgevoerd zonder negatieve effecten voor natuur. Negatieve effecten worden (volledig) gemitigeerd of gecompenseerd en er wordt een maximale verbetering bereikt, bijvoorbeeld door het vergroten of toevoegen van natuurlijke waarden en/of –gebieden. Daarnaast wordt ingezet op toename van de biodiversiteit na afronding van het project.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

Ontsnippering

  • Natuurinclusief bouwen: een manier van werken waarin we de natuur inzetten voor het bereiken van een goede inrichting van onze provinciale infrastructuur
  • Toepassen gradiënten
  • Toepassen inheemse soorten en inheems plantmateriaal
  • Nastreven meer biodiversiteit in bermen
  • Inzet op een gevarieerder bomenbestand
  • Creëren schuilplekken voor soorten
Ga naar ander thema

Ruimtegebruik

A) Uitbreiding van bebouwd gebied

Het thema ruimtegebruik heeft betrekking op de beslaglegging op onbebouwde ruimte vanuit een project. Omdat ruimte schaars is in Noord-Brabant, is het belangrijk dat we beschikbare ruimte zo efficiënt en multifunctioneel mogelijk inrichten.

Het provinciaal wegennet is grotendeels af. Het accent verschuift van het uitbouwen van het weggennetwerk naar het duurzaam beheren en onderhouden en naar het slim benutten van het wegennetwerk. Uitbreiding van bebouwd gebied dient dan ook enkel te worden toegelaten als dat vanwege maatschappelijke en/of economische belangen noodzakelijk is. Aanpassingen aan de weginfrastructuur doen we bij voorkeur als dit bijdraagt aan een betere veiligheid, onze directe leefomgeving en ruimtelijke kwaliteit van onze steden, dorpen en het landschap.

B) Adaptief vermogen van de ruimtelijke indeling

Het ontwerp houdt rekening met toekomstige ontwikkelingen.

Ambitieniveau Brabant

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering

Op dit niveau is inzicht gewenst in de belangrijkste effecten voor ruimtegebruik en het adaptief vermogen van de ruimtelijke indeling. Dat betekent in ieder geval het minimaliseren van extra ruimtebeslag op onbebouwd gebied, voor zover redelijkerwijs mogelijk. De noodzaak voor uitbreiding dient vanuit maatschappelijk, ecologisch of economisch perspectief te zijn gerechtvaardigd. Bij uitbreiding dient er aandacht te zijn voor de duurzame onderhoudbaarheid van de objecten die erbij komen.

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Om niveau 2 te behalen dienen bovenop niveau 1 maatregelen getroffen te worden om negatieve effecten voor ruimtegebruik zoveel als mogelijk is te beperken (of te compenseren). Naast optimalisatie van het ontwerp om extra ruimtegebruik te beperken, is te denken aan herontwikkeling van bestaand bebouwd gebied voor de nieuwe ontwikkelingen en multifunctioneel ruimtegebruik en om een robuust, toekomstvast ontwerp te realiseren. Er dient altijd gezocht worden naar optimale functiecombinatie.

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie. Er is een maximale inzet om het meest haalbare te bereiken en het project uit te voeren zonder negatieve effecten voor het ruimtegebruik. Negatieve effecten (extra ruimtebeslag van onbebouwde ruimte) worden volledig gemitigeerd of gecompenseerd en er treedt verbetering op ten opzichte van de huidige situatie: de huidige gebruikswaarde van het gebied wordt versterkt. Meerwaarde wordt bereikt door herontwikkeling en/ of multifunctioneel ruimtegebruik.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • Beperken van extra ruimtebeslag op onbebouwd gebied ten gevolge van het project
  • Multifunctioneel ruimtegebruik
Ga naar ander thema

Ruimtelijke kwaliteit

Ruimtelijke kwaliteit heeft betrekking op de belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde van onze infrastructuur. Het gaat daarbij zowel om zaken als inpassing, integraal ontwerp, samenhang in verschillende functies en de flexibiliteit om in de toekomst aan te kunnen blijven sluiten op veranderde eisen.

A) Belevingswaarde

De ervaring van het systeem en de omgeving door gebruikers. Aspecten zijn: sociale veiligheid, waarde van cultureel en natuurlijk erfgoed. Maar ook ruimtelijke inpassing. Het landschap van Brabant verschilt van streek tot streek. In de uitwerking van de gebiedspaspoorten beschrijft de provincie 12 Brabantse landschapstypen. Voor elk geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteit en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen.

B) Gebruikswaarde

De kwaliteit van functies en de variatie in grootte en type functies.

C) Toekomstwaarde:

De flexibiliteit van de strategische aansluiting op de omgeving en anticipatie op toekomstige veranderingen die een project biedt.

Ambitieniveau Brabant

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering (op basis van provinciaal beleid)

Op dit niveau is er inzicht in de belangrijkste effecten vanuit het project op de kwaliteit van de ruimte, de omgeving van het project. Bij dit niveau moet op zijn minst voldaan worden aan de omgevingsverordening. Gestreefd wordt naar een systeem dat in ieder geval niet slechter, maar bij voorkeur beter scoort dan de referentiesituatie. De ruimtelijke kwaliteit ten gevolge van het project wordt verbeterd. Het project wordt volgens ruimtelijke beleid en wet- en regelgeving uitgevoerd. Het zwaartepunt ligt op inpassing in het landschap. Het groen wordt afgestemd op de karakteristieke landschapselementen en uitstraling van het landschap (en draagt bij aan de biodiversiteit). Verder dient er in een project sprake te zijn van een flexibele aansluiting op de omgeving en geanticipeerd te worden op toekomstige veranderingen en ontwikkelingen. Het groen heeft hierin een functie door inpassing van de weg in de omgeving waarbij rekening wordt gehouden met het maatschappelijk draagvlak.

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Om niveau 2 te behalen moeten bovenop niveau 1 maatregelen worden getroffen om een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te bereiken. Negatieve effecten voor de kwaliteit van het ruimtegebruik (zoals risico’s voor de sociale veiligheid, aantasten van landschappelijke waarden) worden zoveel als mogelijk is beperkt (of gecompenseerd). Daarnaast wordt er een robuuste, toekomstvaste ontwikkeling gerealiseerd. Er dient op minimaal één subthema een significante verbetering behaald te worden ten opzichte van de referentiesituatie. Op geen van de subthema’s treedt een significantie verslechtering op.

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Er is een maximale inzet om het meest haalbare te bereiken en het project uit te voeren zonder negatieve effecten voor de ruimtelijke kwaliteit. Negatieve effecten worden (volledig) gemitigeerd of gecompenseerd en er treedt zelfs verbetering op ten opzichte van de huidige situatie, bijvoorbeeld vergroten van de landschappelijke warden in de omgeving of multifunctioneel ruimtegebruik.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • Het voorkomen van barrière werking
  • Ervoor zorgen dat het landschap, zichtlijnen en cultureel erfgoed goed zichtbaar blijft
  • Anticiperen op de aansluiting van het project op toekomstige ontwikkelingen
Ga naar ander thema

Welzijn

Welzijn heeft betrekking op de (fysieke en mentale) gezondheid en veiligheid van alle gebruikers, omwonenden, bezoekers en werknemers rondom het gebied van een project. Dit valt onder te verdelen in gezondheidsbescherming (o.a. lucht, geluid en licht), waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van hinder, zowel tijdens de uitvoering van het project als in de eindsituatie. Bronaanpak is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Door ruimte zo in te richten dat een positieve bijdrage geleverd kan worden aan het welzijn en de gezondheid van bewoners, gebruikers en bezoekers, ontwikkelen we een duurzame en veilige leefomgeving.

A) Gezondheid

(luchtverontreiniging, geluidsoverlast, gezondheidsaspecten bij bouw, straling)

Geluid

Langdurige blootstelling aan geluid kan ernstige gevolgen voor gezondheid en welzijn van burgers hebben. Met ingang van de Omgevingswet hebben we te maken met GeluidsProductiePlafonds (GPP’s). GPPs zijn imissiepunten op 50 meter van de weg (beide zijden), 100 meter uit elkaar. Bij (dreigende) overschrijding dienen maatregelen te worden getroffen, een ontheffing of hogere GPP-waarde geregeld.

Onze beleidslijn is dat we vanuit onze wegbeheerdersol bij het voeren van onderhoud aan onze infrastructuur de verantwoordelijkheid pakken om vanuit de plandrempel van 65dB maatregelen te treffen om geluidsoverlast te verminderen, dit is een strakkere norm dan geëist in wet- en regelgeving. Bij een geluidbelasting tussen de 60 dB en 64 dB op de betreffende woning maken we de overweging om maatregelen te treffen om de geluidbelasting te verminderen. Hierbij kijken we eerst naar bronmaatregelen (stille deklaag), vervolgens naar maatregelen in de overdracht (geluidswal, geluidscherm) en als laatst naar gevelmaatregelen. Burgers kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor subsidie van gevelmaatregelen.

Luchtkwaliteit

De Provincie heeft zich aangesloten bij Het Schone Lucht akkoord, waarmee wordt ingezet wordt op een reductie van 50% in 2030 van de negatieve gezondheidseffecten ten opzichte van 2016. Met duurzame aanleg, beheer en onderhoud van onze infrastructuur dragen we hieraan bij. Bij aanleg leggen we de focus op schone emissies en creëren we, wanneer mogelijk, afstand tussen de emissiebron en ontvanger. Uitgangspunt hierbij is dit de blootstelling aan luchtverontreiniging vermindert.

B) Hinder (trillingen, licht, geluid, verkeer, geur)

Hierbij zetten we met name in op het voorkomen van hinder tijdens de uitvoering van projecten.

C) Veiligheid (sociale, verkeers- en externe veiligheid)

We zetten in op een verkeersveilig ontwerp van de infrastructuur. Hierbij gaan we uit van het principe Duurzaam Veilig.

Ambitieniveau Brabant

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering (op basis van provinciaal beleid)

Voldoen aan wet- en regelgeving en beleid (Actieplan geluid).

Op dit niveau is inzicht gewenst in de belangrijkste effecten vanuit het project voor de leefomgeving (gezondheid, veiligheid, hinder, visuele aspecten). Gestreefd wordt naar een systeem dat in ieder geval niet slechter, maar bij voorkeur beter scoort dan de huidige situatie of de referentiesituatie. Mitigerende maatregelen vanuit effectonderzoeken dienen zoveel mogelijk te worden genomen. Daarnaast zetten we in op verkeersveilligheid vanuit de principes van Duurzaam Veilig.

Doelstellingen & Indicatoren

De doelstellingen en indicatoren van dit thema worden nog uitgewerkt.

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Meetbare/ verifieerbare doelstellingen en het bereiken van een significante verbetering. Om niveau 2 te behalen dienen bovenop niveau 1 maatregelen te worden getroffen om negatieve effecten voor de mens en haar leefomgeving zoveel als mogelijk is te beperken en daar waar mogelijk te verbeteren. Er dient op verschillende subthema's een relevante verbetering op te treden ten opzichte van de 'grijze' situatie. Voor het thema geluid gaan we altijd uit van niveau 2, gezien onze plandrempel hoger vastgesteld is dan wet- en regelgeving aangeeft. Dit betekent dat geluidmaatregelen altijd overwogen worden (met het geluidscriterium) als er sprake is van overschrijding van plandrempel, of van de geluidsproductieplafonds. Daarnaast wordt gekeken hoe andere negatieve effecten zoveel mogelijk beperkt worden (luchtvervuiling, hinder).

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Om niveau 3 te behalen wordt maximaal ingezet om het meest haalbare te bereiken en het project uit te voeren zonder negatieve effecten voor het welzijn van alle betrokkenen. Negatieve effecten worden (volledig) gemitigeerd of gecompenseerd en er treedt verbetering op ten opzichte van de huidige situatie, er vindt bijvoorbeeld luchtzuivering plaats via het project, het huidige geluidsniveau wordt lager. Er wordt ingezet op een bronaanpak. De belevingswaarde neemt toe, de visuele inpassing verbetert.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • In het geval van overschrijden van geluidsproductieplafonds en plandrempel, treffen van bronmaatregelen zoals het aanbrengen van een geluidreducerende deklaag
  • Realiseren van overdrachtsmaatregel zoals het plaatsen van geluidsschermen of grondwallen
  • Realiseren van andere innovaties op het gebied van geluid
  • Meer ruimte creëren tussen emmissiebron (fijnstof en stikstof) en verkeersdeelnemers
  • Gunnen op MKI en/of CO2-footprint waarmee we indirect bijdragen aan een schonere verbranding en vermindering van stikstof- en fijnstofemissies
  • Inzet op steeds schoner bouwmaterieel (volgend aan het routepad Zero Emissie Bouwmaterieel)
  • Rekening houden dat andere maatregelen niet bijdragen aan geluidhinder (zoals wegmarkering)
Ga naar ander thema

Sociale relevantie

Sociale relevantie heeft betrekking op het sociaal welzijn van gebruikers en omwonenden van een project. Sociaal welzijn kan hierbij breed worden opgevat. Sociaal welzijn draait om de mate waarin je je goed voelt en opgenomen bent in de maatschappij waarin je leeft. Voor het project gaat het om de aspecten maatschappelijk draagvlak voor het project, het ophalen van de lokale behoeftes en social return.

A) Maatschappelijk draagvlak

Draagvlak bij (toekomstige) gebruikers, omwonenden en andere betrokken partijen en individuen voor het project. Dit bereiken we onder andere met participatie. De Omgevingswet stelt ook eisen aan participatie. Afhankelijk van het soort project geven we invulling aan participatie met gebruik van bijvoorbeeld de participatieladder. Met ingang van de Omgevingswet gaan we mogelijk gebruik maken van het communicatiekompas. Verder maken we gebruik van een stakeholderanalyse en het inventariseren van KES (klanteisen)

B) Lokale kennis

Inwinnen en inzetten van de lokale expertise en specifieke kennis, om relevante behoeftes van de gemeenschap te identificeren en in te zetten. Denk bijvoorbeeld aan het inzetten van de Dorpsraad om een omleidingsroute te beoordelen. Dit leidt vaak ook tot meer draagvlak voor het project.

C) Social return

We willen de arbeidsparticipatie vergroten in Brabant. Daarom zetten we in op het creëren van werk(ervarings)plaatsen voor mensen met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt. We voeren Social Return uit door middel van de vigerende Uitvoeringsregels Social Return.

Ambitieniveau Brabant

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering

Op dit niveau is er inzicht in de belangrijkste consequenties vanuit het project op (toekomstige) gebruikers, omwonenden en andere betrokken partijen en individuen, de omgeving van het project. Hiervoor wordt een stakeholderanalyse gedaan en worden klanteisen geïnventariseerd. De belanghebbenden worden in ieder geval geïnformeerd over de ontwikkelingen, zowel met betrekking tot tijdelijke situaties als de eindsituatie, zodat er bewustwording ontstaat. Er worden communicatieplannen opgesteld en belanghebbenden worden actief op de hoogte gesteld. Er is inzicht in lokaal expertise en kennis en er is nagedacht over mogelijkheden om deze te betrekken. Social return wordt ingevuld vanuit de vigerende Uitvoeringsregels Social Return. Hierbij gaan we minimaal uit van 2% of 5% van de opdrachtsom en/of maatwerk (in overleg met specialist Social Return Nicole Vissers).

Doelstellingen & Indicatoren

De doelstellingen en indicatoren van dit thema worden nog uitgewerkt.

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Om niveau 2 te behalen worden bovenop niveau 1 maatregelen getroffen om een significante verbetering op één van de subthema’s te bereiken. Minimaal op één subthema wordt een relevante verbetering verwezenlijkt. Belanghebbenden worden in ieder geval uitgenodigd om mee te denken over de toekomstige ontwikkelingen en hierop hun visie en ideeën te geven. En/of lokale kennis wordt ingezet om de duurzaamheidswinst in het project (deze duurzaamheidswinst kan op alle thema’s betrekking hebben) te vergoten. Social return wordt ingevuld vanuit de vigerende Uitvoeringsregels Social Return. Hierbij gaan we minimaal uit van 2% of 5% van de opdrachtsom en/of maatwerk (in overleg met specialist Social Return).

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Er is een maximale inzet om het meest haalbare te bereiken op de subthema’s. Inbreng van belanghebbenden wordt aantoonbaar afgewogen en meegenomen in het project. Lokale kennis wordt aantoonbaar ingezet bij de realisatie van het project. Aan social return wordt invulling gegeven, in ieder geval conform de doelstellingen die op niveau 2 gesteld zijn. Bovenop de maatregelen uit de Uitvoeringsregels Social Return worden maatregelen getroffen om een significante verbetering te bewerkstelligen voor de werkgelegenheid voor mensen met een (verdere) afstand tot de arbeidsmarkt. Hierbij kan gedacht worden aan een hoger percentage van de opdrachtsom in overleg met specialist Social Return. Daarnaast kan ook een sociaal project opgezet worden.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • Het doen van een stakeholderanalyse, inventariseren van klanteisen. Gebruik maken van het communicatiekompas. Opstellen communicatieplan voor het project (bijvoorbeeld gericht op inzet duurzaamheid in het project).
  • Inwinnen en inzetten van lokaal expertise en specifieke kennis om relevante behoeftes van de gemeenschap te identificeren en het sociaal welzijn te verbeteren. En om kennis in te zetten waarmee we kunnen bijdragen aan de andere ambitieweb thema’s.
  • De opdrachtnemer dient bij uitvoering van het project een bepaald % van de opdrachtwaarde in te zetten voor het creëren van arbeidsplaatsen voor personen met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt (hierbij uitgaan van de vigerende uitvoeringsregels Social Return).
  • Speciaal sociaal project opzetten. Denk aan bijvoorbeeld aan de ontwerpwedstrijd voor de uitkijktoren bij de N279. Of aan het creëren van extra stageplaatsen bij de aannemer.
Ga naar ander thema

Bereikbaarheid

Bereikbaarheid gaat over de mogelijkheden die personen hebben om zich te verplaatsen naar bestemmingen uitgedrukt in kosten, tijd en/of moeite. Verplaatsen kan via verschillende modaliteiten (lopen, fietsen, OV, deelmobiliteit en auto). Een goede bereikbaarheid is en blijft cruciaal voor het functioneren van Noord-Brabant. Het provinciaal wegennetwerk is echter grotendeels af. Het accent verschuift van uitbouwen van het wegennet naar het duurzaam beheren en onderhouden en naar het slim benutten van het wegennetwerk.

Vanuit het Beleidskader Mobiliteit wordt ingezet op de mobiliteitstransitie. De mobiliteitstransitie is gericht op het anders invullen van mobiliteit om zo Nederland bereikbaar te houden. Wandelen, fietsen, het openbaar, MaaS (Mobility as a Service) en deelmobiliteit verkleinen de rol van de auto en dragen bij aan leefbaarheid, bereikbaarheid en duurzaamheid. Om duurzaam vervoersgedrag te stimuleren is het van belang dat een robuuste en toekomstbestendige infrastructuur wordt ontwikkeld van verschillende vervoersmodaliteiten met knooppunten daartussen. Een efficiënt gebruik en inrichting van bestaand en nieuwe infrastructuur kan helpen dit te bereiken.

A) Robuust

Robuust betekent dat reizigers en goederen binnen een acceptabele en betrouwbare tijd op hun bestemming aankomen, ook wanneer er verstoringen optreden. We pakken belangrijke knelpunten aan. Tevens sluit het netwerk goed aan op andere netwerken. We zetten in op een robuust en toekomstbestendig wegsysteem door minimaal in te zetten op kwaliteitsniveau B (KOPI).

B) Betrouwbaarheid

Met zorgvuldig (functioneel) aanleg, beheer en onderhoud draagt de provinciale infrastructuur bij aan een betrouwbaar mobiliteit systeem nu en in de toekomst.

C) Duurzame en slimme mobiliteit

Toekomstige ontwikkelingen en innovaties op het gebied van mobiliteit worden, waar mogelijk, gefaciliteerd vanuit onze assets. Duurzame alternatieven voor de huidige mobiliteit worden gestimuleerd. We zetten in op een adaptief infrasysteem door in te spelen op toekomstige ontwikkelingen en innovaties zoals de zelfrijdende auto, het stimuleren van voetgangers en fietsverkeer, en het faciliteren/stimuleren van OV (aansluitingen).

Ambitieniveau Brabant

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering (op basis van provinciaal beleid)

Op niveau 1 is er inzicht in de bereikbaarheidseffecten van het project op zowel korte als lange termijn. Het gaat dan om inzicht in de capaciteit die het project met zich meebrengt, de vervoersprognoses, (mogelijke) verkeershinder tijdens de uitvoering en (mogelijke) knelpunten die optreden tijdens aanleg. Opgemerkt wordt dat het verbeteren van de bereikbaarheid vaak dé of één van de hoofddoelstellingen is van infraprojecten. Daarom wordt voorgesteld om de lat voor niveau 1 hoger te leggen dan enkel het verbeteren van de bereikbaarheid in de eindsituatie. Ook is belangrijk dat in voortraject van het project een afweging op de duurzaamheid van de alternatieven voor het verbeteren van de bereikbaarheid heeft plaatsgevonden. Denk aan de volgende maatregelen:

  • Realiseren wegsysteem dat is afgestemd op lange termijnprognoses waarin reizigers en goederen binnen een acceptabele en betrouwbare tijd op hun bestemming aankomen
  • Raakvlakken van netwerk met andere netwerken vergroten, bijvoorbeeld met overstapmogelijkheden
  • Stimuleren van voetgangers- en fietsverkeer
  • Voorkomen hinder (o.a. ontstaan door klimaatrisico's en andere calamiteiten)

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Om niveau 2 te behalen dienen bovenop niveau 1 maatregelen te worden getroffen om de duurzame bereikbaarheid van het project te vergroten. Denk aan:

  • Slimme infrastructuur die kan communiceren in de ontwikkeling van autonoom rijden

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Om niveau 3 te behalen dienen boven op de maatregelen van niveau 2 meetbare doelstellingen te worden vastgesteld om op het gebied van bereikbaarheid het 'meest haalbare' te bereiken. Met inzet op

  • Inzet op technische systemen die voldoen aan nieuwste ontwikkelingen op het gebied van data, diensten en duurzaamheid

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • Realiseren wegsysteem dat is afgestemd op lange termijnprognoses
  • Raakvlakken van netwerk met andere netwerken en modaliteiten vergroten, bijvoorbeeld met overstapmogelijkheden
  • Stimuleren van voetgangers- en fietsverkeer
  • Inzet op technische systemen die voldoen aan nieuwste ontwikkelingen op het gebied van data, diensten en duurzaamheid
  • Slimme infrastructuur die kan communiceren in de ontwikkeling van autonoom rijden
Ga naar ander thema

Investeringen

Het thema Investeringen heeft betrekking op alle kosten en opbrengsten (waarde) die samenhangen met een project. Niet alleen de investeringskosten, maar de Levenscycluskosten (alle kosten en baten voor de aanleg en het gebruik gedurende de levenscyclus) van een project zijn van belang. Daarnaast is het belangrijk om verschillende toekomstscenario's in ogenschouw te nemen.

A. Levenscycluskosten

Voor een goede afweging van kosten en baten is het nodig de kosten gedurende de gehele levenscyclus in beschouwing te nemen, waaronder ook beheer- en onderhoudskosten en sloopkosten.Ook wel de Life Cycle Costs genoemd. Daarmee voorkom je dat je een voorziening aanlegt die later zijn functies verliest omdat er geen beheerbudget is (desinvestering). Soms verdient een grotere investering in de aanleg (duurdere materialen, ander ontwerp) zich later terug met lagere kosten voor beheer en onderhoud, lagere sloopkosten aan het einde van de levensduur of waardebehoud voor een volgende levenscyclus. Hierbij kan ook naar andere contractvormen gekeken worden waarbij je zowel aanleg als onderhoud in eenzelfde contract opneemt, of 'As a service' aanbesteedt. Dit stimuleert partijen om naar de gehele levenscyclus te kijken.

B.Toekomstbestendige investering

Een investering is duurzamer als deze beter aansluit bij toekomstige veranderingen en ontwikkelingen in een gebied of project. Je kunt hiervoor checken of het project in verschillende scenario’s goede resultaten biedt. Je vergroot de toekomstwaarde als het mogelijk is het project aan te passen aan nieuwe omstandigheden, bijvoorbeeld door een gefaseerde uitvoering. Als de toekomst heel onzeker is, kan een goedkope oplossing die snel is af te schrijven een goede optie zijn.

C. Gezamenlijke financiering

Om een duurzame ontwikkeling daadwerkelijk te kunnen realiseren, is voldoende budget nodig. Je voorziet daarin als de verantwoordelijke partijen bereid zijn om de ontwikkeling te financieren. Dit geldt ook voor bedrijfseenheden binnen een organisatie (ontschotting financiering). Ga na of er mogelijkheden zijn om (gezamenlijk) subsidie aan te vragen.

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering (op basis van provinciaal beleid)

Op niveau 1 is er inzicht in de levenscycluskosten (LCC) en is er aandacht voor een Beheer Bewust Ontwerp (bij het ontwerp rekening houden met de beheerfase). Ten opzichte van de referentiesituatie zijn de onderhoudskosten of life cycle costs lager dan voor de grijze situate (de 'normale' kosten voor het project, waarbij er geen extra moeite wordt gedaan om onderhouds- of LCC kosten te verlagen).

Ambitieniveau Brabant

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Om niveau 2 te behalen vindt de afweging (door opdrachtgever!) van alternatieven plaats op basis van de lange termijn kosten (LCC, life cycle costs), in plaats van enkel op investeringskosten. Er is inzicht in de economische aspecten over de lange termijn, in de de total costs of ownership. Beschikbare subsidies worden benut.

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Om niveau 3 te behalen vindt bovenop de doelstellingen voor niveau 2 een expliciete afweging plaats op de TCO (total costs of ownership) en/ of MKBA (maatschappelijke kosten en baten). De kosten en opbrengsten zijn in balans; er is economische (en maatschappelijke) meerwaarde op lange termijn.

De financiële investeringen zijn in balans met de kosten op lange termijn (LCC), met financiële baten en met sociaal-economische opbrengsten (maatschappelijke waarde) over de lange termijn.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • Afwegen van ontwerpkeuzes, varianten basis van levenscycluskosten
  • Afwegen van ontwerpkeuzes, varianten op de TCO
  • Benutten van subsidies
  • Andere contractvormen overwegen die zowel aanleg, beheer en onderhoud in ogenschouw nemen (bijvoorbeeld As a Service contracten)
Ga naar ander thema

Vestigingsklimaat

Vestigingsklimaat heeft betrekking op enerzijds de bedrijvigheid in een gebied en anderzijds op de economische vitaliteit van de bevolking. Beide dragen bij aan een duurzame (lokale) economie. Een betrouwbaar infrastructuurnetwerk kan bijdragen aan een goede bereikbaarheid van bedrijventerreinen en werklocaties en daarmee het vestigingsklimaat vergroten. Het vestigingsklimaat voor de bevolking wordt verbeterd door de werkgelegenheid op lange termijn, die past bij de ontwikkeling en vaardigheden van de regionale beroepsbevolking.

A) Werkgelegenheid, arbeidsmarkt

De werkgelegenheid op lange termijn, die past bij de ontwikkeling en vaardigheden van de regionale beroepsbevolking.

B) Gebiedseconomie:

De bereikbaarheid, aantrekkelijkheid en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied voor zowel bestaande als mogelijke nieuwe bedrijven.

C) Innovatie- en aanpassingsvermogen

Vanuit de ontwikkelingen bijgedragen aan het gewenste innovatie- en aanpassingsvermogen van de gebiedseconomie op lange termijn, bijvoorbeeld de flexibiliteit waarmee afslagen vanaf de snelweg naar een toekomstig bedrijventerrein kunnen worden ingepast.

Ambitieniveau Brabant

Niveau 1: Voldoen aan wet- en regelgeving en minimaal niveau van verbetering

Op dit niveau is er inzicht in de belangrijkste consequenties vanuit het project op het vestigingsklimaat en de gebiedseconomie. Toekomstige (economische en demografische) gebiedsontwikkelingen zijn in beeld gebracht. Kansen om het vestigingsklimaat te verbeteren worden in beeld gebracht en ingepast, voor zover mogelijk binnen eisen, wensen, scope en budget.

Niveau 2: Meetbare doelstelling en significante verbetering

Om niveau 2 te behalen worden bovenop niveau 1 maatregelen getroffen om het vestigingsklimaat vanuit het project te verbeteren. Toekomstige ontwikkelingen worden ten gevolge van het project niet belemmerd. Minimaal op één subthema wordt een significante verbetering verwezenlijkt.

Niveau 3: Maximale inzet en bereiken hoogst haalbare prestatie

Er is een maximale inzet om het meest haalbare te bereiken op het gebied van vestigingsklimaat en duurzame gebiedseconomie. Voor zover dat binnen de invloed van het project te bereiken is, wordt de werkgelegenheid op lange termijn vergroot. De bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van (bedrijfs)locaties in de omgeving wordt vergroot. NB: als het project al ten doelstelling heeft om de bereikbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te verbeteren, dan wordt extra inspanning geleverd om een maximaal resultaat op alle subthema’s te behalen. De ontwikkelingen hebben nergens een negatieve impact op de werkgelegenheid en gebiedseconomie in de omgeving en toekomstige ontwikkelingen worden ten gevolge van het project gefaciliteerd.

Maatregelen waar je aan kunt denken:

  • Vergroten van de bereikbaarheid en ruimtelijke kwaliteit van het gebied voor bestaande als mogelijke nieuwe bedrijven
  • Vergroten van de bereikbaarheid in het gebied voor bedrijven
  • Vergroten van de aantrekkelijkheid en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving
  • Vanuit ontwikkelingen bijdragen aan gewenste innovatie- en aanpassingsvermogen van de gebiedseconomie
Ga naar ander thema

Deel deze pagina met collega's of geïnteresseerden.