Kerstverhaal

Door Laetitia Schilperoort


Met trage stappen loopt hij de trap op naar de hoofdingang. Het is ijzig koud, het vriest dat het kraakt en er staat een straffe wind. Beter had hij zijn andere jas aan kunnen doen vandaag, maar die hing nog beneden in de kelderbox van zijn appartement.

Hij was al een paar dagen van plan die jas te gaan halen, maar dan zou hij zich een weg moeten banen tussen al háár spullen, die hij daar vorig jaar rücksichtslos had neergegooid. Hij wilde ze gewoon niet zien. Zij was het, die hem op het bestaan van de bridgeclub had gewezen in het provinciehuis. ‘Dan heb je wat omhanden’. Ze wist hoe hij zich soms kon verliezen in een zwaar gemoed, en dat afleiding hem daarvan zou weerhouden. En het was waar, het bridgen deed hem goed. Daarom was hij blijven gaan, ook toen zij er niet meer was. Toen het pas gebeurd was had hij nog weleens wat aanspraak, vroegen mensen nog hoe het ging. Maar na een paar maanden gebeurde dat zelden nog, en als ze al iets vroegen luisterden ze niet écht naar wat hij zei. Ach, meestal hield hij het ook vaag. Zagen ze tenminste ook niet hoe het hem nog raakte. Hij leek wel een klein kind. Nee, op de caissière van de supermarkt na sprak hij eigenlijk nooit meer iemand. Met zere knieën van het traplopen, hij was de jongste niet meer, stapt hij de grote grijzige hal binnen. Die is zwak verlicht met pal in het midden een gigantische kerstboom vol met lampjes. ‘Goedenavond Rudolph’, groet de dame van de koffiebar hem met haar allervriendelijkste lach. Ze heeft een prachtige lach, engelachtig, en haar ogen zijn zo blauw als de Méditerranée. ‘Goedenavond’, groet hij terug. Hij wordt er een beetje verlegen van. ‘Karel is binnenkort jarig’, zegt één van zijn bridgevrienden, terwijl hij gebaart naar een tafel in de hoek waar een taart op staat. ‘Ik zie je morgen wel bij hem’. Terwijl hij een stuk op een bordje schuift ziet hij twee mannen smoezen. Hij kan ze nét horen praten. Karel viert morgen blijkbaar een Christmas Eve birthday party. Met de hele bridgeclub hebben ze iets bij elkaar gelegd voor een goede fles whisky als gezamenlijk cadeau. Maar hij was niet uitgenodigd, zoveel was hem inmiddels duidelijk. Hij kijkt naar Karel, die er echt weer op z’n Karels bij staat. Met zijn popiejopie uiterlijk hevig orerend over één of ander levensthema. Alles aan Karel is net iets té. Zijn joviale gezichtsuitdrukking, zijn bruine ribbroek in de kleur van stopverf en zijn appeltjesgroene spencer. Zou het een foutje zijn? Zou Karel per ongeluk vergeten zijn hem uit te nodigen? Eigenlijk had hij weleens zin in een feestje. De gezelligheid, de muziek, lekkere hapjes, een beetje te veel drank. Hij werd warm van de herinnering. Maar hij was al jaren niet meer op een feest geweest. Sinds corona zo ongeveer, toen feestjes ineens gevaarlijk waren. Daarna stierf zijn vrouw, en was er simpelweg niemand meer op het idee gekomen hem te vragen. Dat zou nu ook wel zo zijn. Ach, wat moesten ze ook met zo’n man alleen? En ineens staat Karel pal naast hem. Karels gezicht kijkt nu niet alleen joviaal, maar het heeft ook een spottende, uitdagende uitdrukking gekregen. Karel kijkt hem recht aan en vraagt met een gemene grijns: ‘potje pesten?’ Hij kon het niet geloven. Dit was pure treiterij! Het was dus helemaal geen vergissing om hem niet uit te nodigen. En dat niet alleen, Karel moest het hem nog even inwrijven ook. Zijn vuisten ballen zich samen. Woedend maakt het hem! In een flits grist hij het taartmes van de tafel en klemt het met één hand vast in de revers van zijn colbert. Zo snel als Karel naast hem verschenen was, zo snel was hij ook weer weg. En dat was maar goed ook. Hij móest hier weg, hij moest naar buiten. Maar eerst vlucht hij naar het toilet. Hij is zó boos!! Het stuk taart heeft hij nog in zijn handen. In één keiharde klets smijt hij het tegen de spiegel. Het mes erachteraan, dat bijna afketst op zijn voet. Maar het kan hem niet schelen, hij is furieus. Vuile, gore… Alles wat hij in zijn zakken vindt gooit hij met volle kracht om zich heen door de gladde kille ruimte. Die rot Karel met zijn dikke, vette varkenskop. Hij is nog lang niet uitgeraasd. Woest rent hij nu het voorplein op. Het is leeg. Er staat alleen één of ander stom kunstwerk met een paar rare varkens. In pure razernij schopt hij ertegenaan. Eén varken zit een beetje los. Hij schopt nog eens en nog eens. Pakt het mes erbij, hij had er nog net aan gedacht dat van de toiletvloer op te rapen, voordat hij naar buiten stormde. Hij wrikt en duwt…En dan is het los. In zijn armen houdt hij een bronzen big. ‘Ook dat nog’ denkt hij, rotbig. En hij smijt het een paar keer hardhandig op de grond. Het maakt een hels kabaal maar er is niemand die het hoort. Afgezien van een korte echo van de klap, blijft het oorverdovend stil op straat. Hij merkt niet dat hij bloedt. In zijn boosheid had hij ook niet gemerkt dat hij inmiddels langs het water liep. En dat het was begonnen te sneeuwen. Het gebutste varken trekt hij aan één poot achter zich aan. Best zwaar dat brons. Hij voelde zich plotseling vreemd licht in zijn hoofd. Zocht een plekje bij een dennenboom om wat uit te rusten. Eindelijk bekoelde hij een beetje, letterlijk ook. Hij voelde de verschrikkelijke kou nu in zijn botten. Hij moest bewegen, hij moest lopen. Moest sowieso maar eens op huis aan. Hij voelt in zijn zakken, op zoek naar zijn sleutels. Hij vindt ze nergens. Wel voelt het vochtig en een beetje plakkerig als…bloed? Waar kwam dat nou weer vandaan? En waar konden die sleutels nou toch zijn? Niemand anders had een huissleutel. Vroeger had zíj die natuurlijk gehad, maar na haar dood had hij de moeite niet genomen om een sleutel bij de buren te stationeren. Ze wisten waarschijnlijk niet eens wie hij was. Hij snapte Karel eigenlijk ook wel. Hij kwam, hij ging, vertelde nooit iets interessants. Hij wás ook niet leuk om op je feestje te hebben.

Hij had zijn sleutelbos vast ergens weggesmeten. Op het toilet? Bij die varkens? Hij kon het zich niet herinneren. Oh, toen zij nog leefde had ze hem daarin niet kunnen begrijpen. ‘Zo’n rustige man als jij…’ Hij had ook weleens een stapel borden gemold. Hij hoorde haar nog roepen. ‘Hoe kún je…?’ Wat zou hij graag haar gezicht nog een keer zien. Zelfs met die blik vol onbegrip. Voor geen goud ging hij nu nog terug naar het provinciehuis. Maar hij was zo vréselijk moe, hij had het zo koud. Hij voelde zich suf en eenzaam, had alleen nog maar een zwijgzame big. Hij liet zich zakken in het dichtstbijzijnde portiek, een beetje uit de wind. Toen zij nog leefde was er warmte geweest, een soort voortdurende sprankeling. Maar sinds die ene dag in oktober was er een steen voor in de plaats gekomen. Een permanent gevoel van leegte, zwaarte. Het was allemaal niets meer waard. Nog één keer rommelt hij in zijn rechter jaszak. Tevergeefs, geen sleutels. Hij voelt alleen het mes van de taart, het lemmet zo koud als het varkentje naast hem. Dat mes… Het was misschien maar beter zo. Niemand zou hem toch gaan missen. Gauw zouden ze stoppen over hem te praten, net zoals ze nooit meer over háár praatten. Nadat ze plotseling niet meer was thuisgekomen. Híj kon nu ook niet meer naar huis, maar hij wilde ook niet meer. ‘Ik kom naar je toe schat’, mompelde hij zacht, terwijl hij diep weg dook in zijn kraag. Hij droomt. Over kerstavond, het is feest. Een kerstboom met pakjes, een haardvuur, vriendelijk gebabbel van blije mensen. Op een lange tafel staan schalen vol eten, en uit de keuken komt de geur van gebraden vlees. Mensen lopen bedrijvig heen en weer of zitten al gezellig te kletsen aan de chique gedekte tafel. Het voelt gelukzalig. Van een afstandje kijkt hij naar zijn vrouw en zij kijkt naar hem. Ze kijkt naar hem met de allerprachtigste blauwe ogen. Zijn zicht wordt troebel van geluk. Vaag in de verte ziet hij de oranje gloed van een vuur, het voelt warm. Zacht geroezemoes wordt langzaam luider. De contouren van een kerstboom, een zachte fauteuil … hij begrijpt het niet zo goed. Waar is hij? Hij knippert met zijn ogen, en vlak bij zijn gezicht ziet hij weer die ogen, diezelfde prachtige blauwe ogen uit zijn droom. Is hij echt weer bij haar? Zijn ze eindelijk samen? Maar als hij beter kijkt ziet hij ook het engelachtige gezicht. Het straalt. Hij herkent het, maar toch ook weer niet.

‘Goedenavond Rudolph’, zegt het engelachtige gezicht. ‘Wat heb jij lang zitten slapen zeg, hier in de stoel. Bijna een dag!’. Ach, je hebt het ook wel druk gehad gisteren.’ ‘Het is trouwens kerstavond, moet je niet naar huis?’ ‘Nee, nee… mompelt hij, ik…’ Ineens weet hij het. Die ogen, zo blauw als de Méditerranée. En die lach als een engel. Het is de koffiedame van het provinciehuis. Vrolijk babbelt ze verder. ‘Ik heb ons familierecept klaargemaakt. We eten een gebraden biggetje van het spit, speciaal voor de gelegenheid met een spencergroen appeltje in zijn mond. ‘Eet je mee?’

Laetitia Schilperoort