Wild van rewilding
Een ontdekkingstocht door Brabantse leembossen
Een bos is een miljoen keer meer dan bomen, volgens Ger van den Oetelaar van ARK Rewilding. Hij vormt landbouwgrond om tot natuur. Eigenlijk doet de natuur dat zelf. Ger helpt alleen een handje. Door hier en daar wat bomen te planten bijvoorbeeld, maar daar blijft het niet bij. We treffen elkaar in een bos bij Boxtel om te ontdekken waarom Ger wild is van rewilding, wat je zelf kan doen om de natuur te helpen en wat er zo bijzonder is aan leembossen.
Tekst: Marjolein Bezemer
Beeld: ©Marjolein Bezemer en Provincie Noord-Brabant
“Leembossen zijn de meest biodiverse bossen van Nederland”
Op een hete zomerdag tref ik Ger van den Oetelaar in natuurgebied De Geelders, een onderdeel van Het Groene Woud in de buurt van Boxtel. Deze streek staat bekend om zijn leembossen. Door de leemlaag in de bodem, zakt regenwater niet makkelijk weg en is de ondergrond vaak drassig. Het gebied is daarom voor de landbouw minder geschikt, maar de natuur gedijt hier juist uitstekend. Deze natte leembossen zijn rijk aan plant- en diersoorten zoals de fladderiep, de wegedoorn en de wespendief. “Dit zijn de meest biodiverse bossen van Nederland.” ARK Rewilding, de natuurorganisatie waar Ger werkt, koopt landbouwgrond op of biedt boeren een beter stuk land op een andere plek. “In Het Groene Woud hebben we sinds 2019 ongeveer 450 hectare grond verworven, waarvan de helft in De Geelders.” Hoe meer lapjes grond omgezet worden naar natuur, hoe groter de leembossen worden. En hoe meer ruimte de planten en dieren in de bossen krijgen.
“Er is altijd iets dat je wél kan doen”
We lopen een stukje over een zandpad en strijken neer naast een akker aan de rand van het bos. In de natuur is Ger thuis. Vijftig jaar geleden richtte hij als vijftienjarige jongen zijn eerste natuurclub op, om roofvogels te beschermen. Sindsdien is hij altijd bezig met natuurversterking. “Op heel veel dingen heb je geen invloed. Daar kan je je aan ergeren, maar er is altijd iets dat je wél kan doen. Als je je daar op richt, dan ben je heel goed bezig.” In de jaren zeventig werd er volgens Ger veel landbouwgif gebruikt, waar de roofvogels onder leden. “Daar kon ik niets aan veranderen. Maar we konden wél zorgen dat er nestkasten kwamen voor die paar roofvogels die er nog wel waren.”
“Wauw, wat zijn kerkuilen mooie beesten!”
“In 1973 gooiden we hout en spijkers bij elkaar en zetten we die nestkasten bij ons thuis in de schuur in elkaar met een stuk of vijf jongeren. We zagen dat die nestkasten bezet werden door roofvogels. Dat is natuurlijk heel leuk, want ik weet nog goed dat ik de eerste keer een echte kerkuil zag. Wauw, wat zijn dat mooie beesten! Die verwondering die je als puber hebt, dat je zo’n soort de eerste keer echt in de ogen kijkt... Dat gevoel gaf alleen maar meer energie om er nog meer voor te doen.” De werkgroep van Ger is overgegaan in de Vogelwerkgroep Midden-Brabant. Onlangs vierden ze hun vijftigjarig bestaan.
Vijftig jaar later kijkt Ger niet alleen naar roofvogels, maar naar het hele ecosysteem van een bos. Want alles hangt samen, zegt hij. Hij wijst naar de grote eikenbomen waar we onder zitten: “Die zien er goed uit. Dat komt door hun vrienden in de bodem: schimmels en bacteriën. Dezelfde schimmels zijn ook nodig om zaden te laten ontkiemen. Vaak zijn de bodems van landbouwgronden zo ontzettend aangetast door spuitmiddelen en stront, dan is het wachten tot de natuur zich herstelt”, aldus Ger. “Landbouwgrond omzetten naar wilde natuur, dat is mijn werk. En dat is het mooiste werk wat je kunt doen. Wij proberen de leembossen terug te laten komen. Dat doen we door beperkt aan te planten, door dood hout neer te leggen en door gradiënt aan te brengen in het landschap. Als we dat ingericht hebben, dan moet Moeder Natuur het allemaal zelf doen”.
“Alles hangt samen.”
Gradiënten aanbrengen
De natuur is nooit overal even hoog, voedselrijk, dichtbegroeid, schaduwrijk of even vochtig. Het aanbrengen van gradiënten in een gebied betekent dat je geleidelijke overgangen creëert tussen verschillende plantsoorten of landschappen. In plaats van abrupte overgangen (zoals een bos dat direct grenst aan een akker), probeer je een vloeiende overgang te maken, bijvoorbeeld van open grasland, via struweel, naar bos. In die overgangen vind je de meeste biodiversiteit.
Bomen planten
Bomen planten doet Ger alleen als de natuur een steuntje in de rug nodig heeft. “We planten hier bijvoorbeeld wegedoorn en fladderiep. Er zijn ongeveer dertig houtachtige soorten die hier van nature thuishoren. Ze komen nog wel voor, maar ze zijn soms erg zeldzaam. Wij zorgen ervoor dat die soorten op een goede manier vermenigvuldigd worden bij boomkwekers. Nadat we die dertig soorten aangeplant hebben, moeten de zaden en de natuur het verder oppakken.” Volgens Ger is bomen planten altijd goed. “Je doet wat je kunt. Kan je alleen één boom planten? Doe dat dan!”
ARK Rewilding helpt sommige (boeren)families met de overname van grond. Hoe ze dat doen en of jij misschien in aanmerking komt, hoor je in aflevering 3 van de podcast Brabantse Bomen.
Dood hout inbrengen
Wilde natuur maken, is meer dan bomen planten. “Als je een bos wilt maken en je plant 20.000 bomen, dan ben je op de helft”, zegt Ger. “Bomen zijn elementen in een systeem waar honderdduizenden soorten in zitten, zoals kevers, schimmels, vogels en kruidachtige planten. Die vormen allemaal een onderdeel van het totale systeem.” Dood hout speelt daarbij een belangrijke rol: “Een bos bestaat voor de helft uit dood hout. Alle dieren en planten die afhankelijk zijn van dood hout, zijn net zo belangrijk voor een bos als de dieren en planten die afhankelijk zijn van het leven. Het is één geheel, één systeem. Als mensen echt iets goeds voor de natuur willen doen, dan is het neerleggen van een mooie grote stam in je tuin de goedkoopste manier om ontzettend veel te doen voor de natuur.”
Wespendief: de leembossenvogel
Hoe groter het bos, hoe meer soorten er kunnen leven. Ook de soorten die heel zeldzaam zijn, zoals de wespendief. “Dat is een heel interessante roofvogel die leeft van wespenlarven. Er zit een voor Europa ontzettend belangrijke populatie wespendieven in dit bosgebied. Ik ken deze streek heel goed en ik dacht ik ongeveer wel elke wespendief wist te vinden. Tot ik met een grote groep onderzoek deed. Toen bleken hier meer dan het dubbele aantal wespendieven te leven. Dat is geweldig toch?”
“Er zijn veel dingen die je niet weet. Ik ben heel verrast dat de populatie wespendieven hier in Het Groene Woud hoger is dan in natuurgebieden in Oost Polen.” Dan zegt Ger lachend: “Wij zijn trots op onze wespendief, een leembossenvogel, maar in de werkelijkheid is die vogel maar even hier. Die komt vanuit Afrika de wespennesten hier leeghalen. En zodra die leeg zijn, vertrekt hij weer naar Afrika. Dus de Afrikanen hebben misschien meer recht om te zeggen dat het hun wespendieven zijn dan wij.”
Benieuwd naar het verhaal van Ger? Luister de derde podcastaflevering van Brabantse bomen 🎧