9. Inzichten en uitdagingen

Met het uitbrengen van dit EVI-Magazine komt er een eind aan de EVI-pilot. De pilotgemeenten willen een vervolg geven aan de geleerde lessen en uitgezocht wordt hoe de geleerde lessen ook Brabant-breed opvolging zouden kunnen krijgen. ‘Energie voor Iedereen’ als maatschappelijke opgave kent vooralsnog een weerbarstige praktijk. De pilotprojecten hebben op het niveau van de onderscheiden doelgroepen uitdagingen, randvoorwaarden, inzichten en knelpunten laten zien. Een deel van deze knelpunten heeft een meer strategisch karakter en zijn niet eenvoudig op het lokale niveau van individuele gemeenten, wijkaanpakken of renovatie- en onderhoudsprojecten op te pakken of schaalbaar op te lossen. Deze knelpunten vragen erom ingebracht te worden in de onderhandelingen tussen decentrale overheden en het Rijk over de financiering en procesmatige borging van de energietransitie specifiek voor de mensen met een smalle beurs. Dat vraagt om ‘schakelen tussen schalen’ en het op basis van deze inzichten en knelpunten zoeken naar de verantwoordelijkheidsbalans in relatie tot deze knelpunten. Onderstaand staan op generiek niveau de belangrijkste inzichten gegroepeerd naar thema.

Omvang, geografische spreiding en karakter van de doelgroepen

Voor elke Brabantse gemeente is er tot op het niveau van individuele buurten in beeld gebracht hoeveel woningeigenaren de investering in verduurzaming van de woning niet op kunnen brengen en hoeveel huishoudens te maken hebben met een relatief hoge energierekening. Ook achtergrondkenmerken, zoals inkomenspositie, huishoudsamenstelling, bouwjaar, woningtype en kwaliteit van de woning zijn bekend van deze huishoudens. Deze inzichten kunnen door gemeenten en woningcorporaties meegenomen worden bij het opstellen van de Transitievisie Warmte en de prioritering van wijken. Ook kunnen deze inzichten worden meegenomen bij doelgroepgericht vormgeven van beleid: bij huishoudens met een hoge energiequote in een label A of B woning ligt het bijvoorbeeld voor de hand om in te zetten op de mogelijkheid tot gedragsaanpassing.

  • Het aantal huishoudens dat meer dan 10% van het huishoudinkomen kwijt is aan energiekosten (huishoudens met een hoge energiequote) loopt op gemeenteniveau uiteen van 6,5 tot 15,7%. Op buurtniveau kan dit percentage oplopen tot 39,3% van de huishoudens (zie hier het rapport).
  • Het aantal woningeigenaren dat geen eigen geld heeft of geen leningen kan afsluiten om investeren in energiemaatregelen, ligt in heel Noord-Brabant tussen de 5,9% en 13,6% (afhankelijk van de hoogte van het benodigde investeringsbedrag). Op wijkniveau kan dit percentage bij een investeringsbedrag van € 25.000,- oplopen tot 47,6% van de woningeigenaren (zie hier het rapport).

Doelgroepen

  • De opgave kent verschillende doelgroepen, die elk hun eigen uitdagingen en hobbels tegenkomen als het gaat om meedoen met de energietransitie. Het onderscheid tussen woningeigenaren en huurders met een smalle beurs is belangrijk.
  • Huurders zijn afhankelijk van de verhuurder voor het verduurzamen van de woning. Woningcorporaties hebben hierbij een sleutelpositie en zijn primair verantwoordelijk voor het verduurzamen van de eigen woningvoorraad.
  • Woningeigenaren zullen zelf moeten financieren. Dat is niet voor alle woningeigenaren mogelijk. Bovendien ontbreekt voor particuliere woningeigenaren met een smalle beurs een duidelijke probleemeigenaar als het gaat om financiering en ontzorging.
  • Woningeigenaren die te maken krijgen met een collectieve aanpak, zoals de woningeigenaren in gespikkeld bezit, vormen een bijzondere doelgroep: zij dienen zelf te investeren, maar hebben geen invloed op het moment waarop de collectieve renovatie plaatsvindt en ook niet altijd op de wijze van verduurzaming.

Ondersteuning van bewoners en contact met bewoners En nog veel meer

  • De drempels die de energietransitie opwerpt (de complexiteit van de opgave, het financieringsvraagstuk, toegankelijkheid van informatie en taalgebruik) maken dat (de meeste) mensen het verduurzamen van de woning niet uit zichzelf initiëren of doen. Het is te ingewikkeld.
  • Een koppeling aan collectieve aanpakken (een renovatie- en verduurzamingsproces van een woningcorporatie / wijkaanpakken) is nodig om woningeigenaren met een smalle beurs te bereiken en om de voorwaarden te creëren om hen mee te laten doen.
  • Zorg in de collectieve aanpakken voor een vaste, vertrouwde en onafhankelijke contactpersoon voor de woningeigenaren. Dit geldt ook voor huurders in renovatie- en onderhoudsprocessen. Deze contactpersoon is de koppeling tussen de systeemwereld en de dagelijkse leefwereld van bewoners.
  • Het vereenvoudigen en gevisualiseerd en stapsgewijs aanbieden van informatie is belangrijk in het contact met de woningeigenaren, maar op zichzelf niet voldoende. Per stap in het proces moet visualisatie gepaard gaan met opvolging in de vorm van persoonlijk contact. Dit om aanvullende vragen te beantwoorden, zorgen weg te nemen en mensen op weg te helpen. Persoonlijk contact is noodzakelijk, dit moet laagdrempelig zijn, bijvoorbeeld door een 06 nummer of een foto bij correspondentie toe te voegen.
  • Sluit in de communicatie aan bij de leefwereld van bewoners en maak gebruik van kennis over wat er speelt in de buurt en in hoeverre bewoners elkaar kennen en elkaar tot actie kunnen aanzetten (peer-to-peer).
  • In de afwegingen van bewoners om mee te doen met een collectieve aanpak speelt de beschikbaarheid van een financiële regeling een cruciale rol. Daarbij moet rekening gehouden worden met: o financiële draagkracht en maandlasten o leenaversie o toekomst: verhuizing en terugval in inkomen (werkloosheid)
  • Daarnaast geldt: o individueel belang boven collectief belang (‘wat betekent het voor mij’) o woningaanzicht (waarde behoud woning) en wooncomfort (tocht, schimmel, vocht) zijn belangrijke motivatoren van bewoners o keuzevrijheid (kunnen kiezen tussen verschillende maatregelenpakketten) o energiebesparing, die zich vertaalt in lagere maandlasten o energietransitie of verduurzaming speelt bijna geen rol

Financiering – woningeigenaren

  • Alles valt of staat met financiering. Financiële overwegingen spelen een belangrijke rol in het beslisproces van mensen als het gaat om het verduurzamen van de woning.
  • In het huidige stimuleringssysteem moeten woningeigenaren, gebruik makend van eigen geld of door het aangaan van leningen, zelf investeren en aan de slag met hun woning. Echter, voor woningeigenaren met een smalle beurs en (te) weinig leencapaciteit is het (landelijke) financieringsinstrumentarium nog beperkt uitgewerkt of in ontwikkeling.
  • Er ontstaat bovendien een probleem als mensen geen of weinig spaargeld hebben en de totale investering, qua verduurzaming en (achterstallig) onderhoud aan de woning, niet wordt terugverdiend met de maandelijkse besparing op de energierekening. De maandlasten stijgen dan als gevolg van de maandelijkse aflossing: er is sprake van een onrendabele top. De onrendabele top kan soms behoorlijk groot zijn en de financiële draagkracht van huishoudens te boven gaan.
  • Voor woningeigenaren met (net) voldoende leencapaciteit, blijft de onrendabele top voorlopig een probleem. De financiering voor deze huishoudens is niet woonlastenneutraal rond te krijgen met bestaande financieringsvormen: hypotheken en groene leningen. Bij het opstarten van collectieve aanpakken (wijkaanpakken en gespikkeld bezit) is daarom de vraag belangrijk of er een (publieke) instelling is die de onrendabele top wil afdekken.
  • Collectieve aanpakken zijn arbeidsintensief. Vooralsnog is er geen (landelijke) regeling, van waaruit budgetten voor de proceskosten beschikbaar gesteld worden en is het afhankelijk van het bestuurlijk commitment en de capaciteit (menskracht en middelen) van gemeenten en andere stakeholders zoals de woningcorporaties in hoeverre deze willen en kunnen gaan in het bieden van ontzorgingstrajecten voor huishoudens met een smalle beurs.

Samenwerking lokaal

  • Collectieve verduurzamingsprocessen zijn arbeidsintensief – zowel in de fase waarin de samenwerking met stakeholders lokaal moet worden vormgegeven als in de uitvoeringsfase waarin contact gelegd en onderhouden moet worden met de doelgroep, en waarbij continu geschakeld moet worden tussen systeem- en leefwereld.
  • Bestuurlijk commitment is een voorwaarde: dit moet vertaald worden in budget en capaciteit voor betrokken (beleids)medewerkers – zowel vanuit het energie-/duurzaamheidsdomein als vanuit het sociaal domein (leefbaarheidsconsulent, welzijnswerk, onafhankelijke contactpersoon voor bewoners).
  • Bij externe inhuur, waar wegens beperkte capaciteit of tekort aan interne expertise, regelmatig sprake van is, is het belangrijk dat de ingehuurde krachten een goede inbedding krijgen in de gemeente of organisatie.

Uitdagingen

  • De systeemwereld matcht niet goed met de leefwereld van bewoners. Collectieve renovatie- en onderhoudsprocessen zijn een manier om huishoudens met een smalle beurs te bereiken, maar komen deze voor huishoudens vrijwel ‘nooit op het juiste moment’: deze processen sluiten qua timing en fasering lang niet altijd aan bij de wensen en behoeften van bewoners.
  • Het financieringsvraagstuk speelt in elke pilot een belangrijke rol. Het gebrek aan financieringsmogelijkheden of -aanbod problematiseert het benaderen van of het in contact gaan met de doelgroep.

  • Schaalbaarheid en versnelling van de energietransitie zijn vragen, die boven ‘de markt’ hangt. Tegelijkertijd hebben we in alle pilotprojecten gezien dat een aanpak die rekening houdt met de mogelijkheden, wensen en behoeften van bewoners en die hen ontzorgt in het verduurzamingsproces de kans vergroot dat huishoudens met een smalle beurs meedoen. Dat is arbeidsintensief en vraagt om maatwerk.