3. Bewoners in beeld

This video has been disabled until you accept marketing cookies.Manage your preferences here or directly accept targeting cookies

De Energie voor Iedereen-pilots richtten zich op drie verschillende doelgroepen, met elk eigen uitdagingen en hobbels als ze mee willen doen aan de energietransitie. Dit zijn de particuliere woningeigenaren, de woningeigenaren in gespikkeld bezit en de huurders van een woningcorporatie. Er is nog een vierde doelgroep: de particuliere huurders. Deze groep viel buiten deze pilots, maar wordt hieronder wel kort beschreven. Daarnaast is er nog het dataspoor dat is uitgewerkt om meer zicht te krijgen op waar met een smalle beurs wonen.

Particuliere woningeigenaren

Particuliere woningeigenaren hebben hun woning zelf gekocht. Als ze willen meedoen in de energietransitie, dan zullen ze de verduurzaming van hun woning zelf moeten regelen en financieren. Doen ze dat, dan krijgen ze beter grip op hun energieverbruik en wonen ze in een gezonde en comfortabele woning. Voor particuliere huishoudens is het belangrijk dat zij inzicht krijgen in het verbruik van de woning en de technische mogelijkheden die er zijn. En dat zij weten wat de kosten zijn van de verschillende verduurzamingsmaatregelen en weten welke financieringsmogelijkheden er (in ontwikkeling) zijn. Ook is het van belang dat zij worden geïnformeerd over de gemeentelijke verduurzamingsplannen. Lees in hoofdstuk 4 meer over het betrekken van particuliere woningeigenaren, hun motivaties en barrières en de (on)mogelijkheden tot proposities voor deze huishoudens.

Gespikkeld bezit

Het gespikkeld bezit is een specifieke groep binnen de particuliere woningeigenaren. Hiermee worden voormalige sociale huurwoningen bedoeld die van de woningcorporatie zijn overgekocht door particuliere woningeigenaren. Ze liggen nog tussen de huurwoningen van de woningcorporatie in. Zodra de huurwoningen worden gerenoveerd door de woningcorporatie, is het vanuit technisch- en investeringsoogpunt vaak praktisch om deze tussenliggende particuliere woningen te betrekken bij de renovatie. Ook voor particuliere woningeigenaren is dit interessant. Als ze niet meedoen met de renovatie of het groot onderhoud, zal namelijk de waarde van hun huis (ten opzichte van de gerenoveerde huurhuizen) dalen. Deze huizen worden de lelijke eendjes in de straat. Echter, de particuliere woningeigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor het financieel en organisatorisch aanhaken aan de renovatie van de woningcorporatie. Dus ook voor de investeringen die hiermee gemoeid zijn. Lees in hoofdstuk 5 meer over een mogelijke aanpak om de woningeigenaren te benaderen en over belangrijke randvoorwaarden voor het betrekken van het gespikkeld bezit.

Huurders

Veel woningcorporaties zetten voor hun huurwoningen stappen om mee te gaan met de energietransitie. Dit doen ze door het (grootschalig) renoveren en onderhouden van de woningen. Veelal is aan deze stappen een huurverhoging gekoppeld, in ruil voor een lagere energierekening en een comfortabeler woning. De grootonderhoudsplannen van de woningcorporatie gaan pas door, wanneer 70% van de huurders hiermee akkoord gaat. Huurders moeten hierbij goed geïnformeerd worden rondom het tekenen voor de huurverhoging. Veelal gaat het onderhoud gepaard met huurverhoging, waar de bewoners dan een gezondere, verduurzamende woning en een lagere energierekening voor terug krijgen. Inzicht in verbruik gekoppeld aan (niet energiezuinige) apparatuur en gedrag is hierbij van belang. Het streven is om zoveel mogelijk woonlastenneutraliteit te realiseren. Lees in hoofdstuk 6 meer over wat belangrijk is bij het in contact komen en informeren van huurders.

Particuliere huurders

Particuliere huurders huren hun huis van iemand die dat huis zelf gekocht heeft. De eigenaar kan zelf de hoogte van de huur bepalen, hieraan zit geen bovengrens zoals bij een woningcorporatie. Particuliere huurders zijn voor het meedoen aan de energietransitie, afhankelijk van hun verhuurder die bereid moet zijn om te investeren in de verhuurde woning. In de EVI-pilot zijn hier geen verdere leerlessen uit opgehaald.

Doelgroepen in beeld

Eerder beschreven we al dat gemeenten worstelen met de vraag hoe ze huishoudens met een smalle beurs kunnen vinden en vervolgens met de vraag hoe deze huishoudens betrokken kunnen worden bij een inclusieve energietransitie. De eerste vraag, is uitgewerkt via een dataspoor. Hoe ze betrokken kunnen worden bij de energietransitie komt in de specifieke hoofstukken over de doelgroepen aan bod.

Dataspoor

Door een data-analyse hebben we in kaart gebracht waar Brabantse huishoudens zich bevinden die moeite hebben met het betalen van onder andere de energierekening. Ook keken we naar huishoudens in koopwoningen voor wie het financieel gezien onmogelijk is om noodzakelijke investeringen rondom het verduurzamen van de woning te doen. We maken hierbij onderscheid tussen de haalbaarheid (particulieren met te weinig investeringsruimte) en de betaalbaarheid (betaalbaarheidsproblematiek door (te) hoge lasten en energierekening). De data-analyse brengt per gemeente (tot op wijkniveau) in beeld waar de huishoudens wonen die risico lopen op betaalbaarheidsproblemen door (te) hoge (energie)rekeningen, maar ook waar woningeigenaren wonen die te weinig investeringsruimte hebben om hun huis te verduurzamen. De analyse laat tot op buurtniveau zien, hoe groot deze groepen zijn. Hiermee worden gemeenten geholpen bij het maken van keuzes over waar te starten met het verduurzamen van de wijken. De data-analyse is puur gebaseerd op de financiële situatie van inwoners, het zegt dus niets over de motivaties van bewoners of over wat zij in hun woning al hebben aangepakt.

Haalbaarheid van de investering

Van particuliere huishoudens wordt verwacht dat zij zelf investeren in de verduurzaming van hun woning. Echter, een deel van hen heeft geen of weinig eigen geld of kan hiervoor geen lening afsluiten. De haalbaarheid van de energietransitie is daarmee voor hen een probleem. We hebben voor deze huishoudens gekeken naar de financiële mogelijkheden die zij hebben om hun woning te verduurzamen bij verschillende investeringsbedragen. Financiële mogelijkheden worden bijvoorbeeld gecreëerd door spaargeld te gebruiken, een (extra) hypotheek af te sluiten of een lening aan te gaan. In de afbeelding hiernaast is te zien hoeveel procent van de particuliere huishoudens in de Brabantse gemeenten geen financiële mogelijkheden hebben bij een investeringsbedrag van € 25.000,-.

Betaalbaarheid van de energierekening

Er zijn verschillende manieren om de (on)betaalbaarheid van de energierekening te definiëren, bijvoorbeeld middels een energiequote of een betaalrisico van de energierekening. We spreken van een hoge energiequote als de energierekening meer dan 10% van het inkomen betreft. Dit is een algemeen geaccepteerde norm om de energiequote in kaart te brengen. De betaalbaarheid van de energierekening kan voor huishoudens een probleem opleveren bij een te hoge energierekening. Ook kan er sprake zijn van een betaalrisico van de energierekening. Dit zien we als huishoudens na betaling van de energierekening te weinig overhouden voor noodzakelijke uitgaven, waardoor ze onder de armoedegrens komen. De afbeeldingen hiernaast laten de verdeling van de huishoudens met een te hoge energiequote en huishoudens die na het betalen van de energierekening onder de armoedegrens komen zien.

Inzoomen op Brabantse gemeenten?

De bovenstaande data-analyse is voor alle Brabantse gemeenten tot op wijkniveau uitgevoerd. Hiermee is in beeld gebracht waar de huishoudens zich bevinden met een betalingsrisico en huishoudens die de benodigde investeringen niet kunnen opbrengen. Wil je meer weten hoe je de dataset kunt interpreteren en toe kunt passen binnen de gemeentelijke beleidspraktijk, zoals bij het opstellen van de Transitievisie Warmte of bij het doelgroepgericht vormgeven van beleid? Neem dan contact op via info@hetpon-telos.nl en ga naar de Energiewerkplaats Brabant.