Leiden Coronalessen tot nieuwe zorgbenadering?

Door: Jeroen van Oort

CZ is een grote Brabantse zorgverzekeraar. Toen Joep de Groot zo’n driekwart jaar bestuursvoorzitter was, brak de coronacrisis los. “De grootste schok was denk ik dat we er niet op voorbereid waren dat dit ons kon overkomen. Het leed dat we zagen door overlijdens, mensen die ziek werden. Dat heeft wel een heel grote sociale impact gehad. We hebben veel met elkaar moeten leren en ontdekken, we hadden geen idee hoelang het zou gaan duren en ook niet wat redelijke maatregelen zouden zijn.”

De zorgverzekeraar zat – samen met de zorgverleners – ineens in een compleet gewijzigde situatie. Brabant was de eerste regio in Nederland waar corona uitbrak. “We wisten niet wat de financiële impact zou zijn, niet hoelang het zou gaan duren. De verzekeraars en zorgverleners zijn daarover met elkaar in overleg gegaan en zetten hun eigenbelangen opzij. Dat heeft tot andere afspraken geleid dan normaal. Ziekenhuizen werden plotseling geconfronteerd met heel andere problemen dan anders. Die pasten niet zomaar in de financieringsafspraken die we normaal met elkaar hebben. Die afspraken hebben we dus ook veranderd. De ziekenhuizen konden zich zo geheel op de zorg richten, zonder dat ze zich zorgen hoefden te maken over de financiën. In die zin is 2020 een goed jaar geweest: alle ziekenhuizen hebben in financiële zin een goed jaar gedraaid.” Ook voor andere zorgverleners was het financieel spannend. Sommige beroepsgroepen kregen ineens een andere vraag, bij andere groepen viel de zorgvraag door de coronamaatregelen grotendeels uit. “Als verzekeraars hebben we samen met alle beroepsgroepen arrangementen gemaakt waardoor de zorgaanbieders konden blijven bestaan. Veel geld daarvoor is uit het zorgverzekeringsfonds gekomen. Dat fonds is er speciaal om te zorgen dat noodsituaties kunnen worden opgelost. De komende jaren moeten we dat fonds weer vullen; het heeft zo wel zijn dienst bewezen!”

Door de coronazorg kwamen andere behandelingen in het gedrang. Sommige behandelingen kunnen écht niet worden uitgesteld. Een goed voorbeeld van snel schakelen is het geboortecentrum. In het ziekenhuis was daar geen plaats meer voor. In Brabant heeft een ziekenhuis contact gezocht met Van der Valk hotels. Daar zijn toen kamers omgebouwd, zodat vrouwen toch in een goede omgeving konden bevallen. Dat voorbeeld heeft navolging gekregen. Ook verpleeghuizen hebben hun steentje bijgedragen. Zij hebben cohortafdelingen gemaakt, zodat zij patiënten die geen ziekenhuiszorg meer nodig hadden, maar die ook nog niet naar huis konden, konden opvangen. In regionaal verband is daarover veel afgestemd, er is door heel veel mensen heel veel werk verzet.

Inmiddels hebben de verzekeraars met de zorgverleners plannen gemaakt voor inhaalzorg. De eerste focus ligt daarbij op patiënten die bekend zijn. “Gelukkig is er direct na de eerste coronagolf al veel inhaalzorg op gang gekomen en tijdens de tweede en derde golf was er veel minder zorguitval dan tijdens de eerste golf. Een grote uitdaging voor inhaalzorg is wel de beschikbaarheid van zorgpersoneel, met name in de verpleging. Het verplegend personeel heeft echt fantastisch werk geleverd. Maar dat heeft wel een grote wissel getrokken op deze mensen, ze hebben ook behoefte aan rust.”

Het doktersconsult is tijdens de coronacrisis veranderd. Er is noodgedwongen plotseling heel veel gebruik gemaakt van beeldbellen. Niet echt een grote innovatie, want de vorm van een consult is daarbij grotendeels gelijk gebleven. “Maar”, zegt De Groot, “het kan wel de aanzet voor meer innovaties op het gebied van digitalisering zijn. Beeldbellen heeft laten zien dat er andere methoden mogelijk zijn, vooral ook dat niet alle patiënten op dezelfde manier behandeld hoeven worden.”

Volgens De Groot is veel in de zorg nu nog georganiseerd volgens het ‘one-size-fits-all’ principe. Daarbij is degene die het meeste nodig heeft maatgevend. “Als we meer zouden differentiëren, meer zouden aanbieden op maat die de patiënt past, zou dat al een slok op een borrel schelen. Een bepaalde groep patiënten kan bijvoorbeeld heel goed door digitalisering verder geholpen worden, een andere groep niet. Dat onderscheid moeten we durven maken. Dat is veel meer een sociale innovatie dan een technologische.”

Sociale innovaties in de zorg kunnen tot veel veranderingen leiden. Machteld Huber ontwikkelde met het concept ‘positieve gezondheid’ een benadering die in zorgkringen momenteel veel belangstelling geniet. Daarbij is de vraag niet langer alleen wat er gedaan kan worden om een kwaal te genezen. Aanvullend daarop, en soms ook in plaats daarvan, komt de vraag aan de orde wat het meest bijdraagt aan het welbevinden, de levenskwaliteit, van de patiënt. De vraag komt dan ook aan de orde: is doorbehandelen goed voor de levenskwaliteit?

“In de coronacrisis kwam de vraag naar levenskwaliteit via de achterdeur ineens heel prangend naar voren. Huisartsen hebben toen kwetsbare patiënten gebeld met de vraag of, mocht het aan de orde komen, opname op de intensive care aan de orde zou moeten komen. Als het je vader of moeder betreft, komt dat wel hard aan. Je eerste reactie is dan: maar ik wil jou helemaal nog niet kwijt. De omgekeerde vraag is echter: hoe komt een patiënt weer van de intensive care af? Soortgelijke vragen gelden in veel zorgtrajecten. De discussie over wat echt belangrijk is zullen we de komende jaren met elkaar moeten voeren. En natuurlijk is het zo dat geldstromen anders gaan lopen als zorg anders georganiseerd wordt. Dat is echter geen reden om de discussie uit de weg te gaan. Integendeel. Als de vraag: ‘wat is goed voor de patiënt?’ maar de boventoon voert. Technologische en sociale innovaties kunnen dan samen zorgen dat zorg betaalbaar en toegankelijk blijft voor wat echt telt.”