Investeren in locaties met grote waarde voor economie


Campussen in Brabant

Campussen zijn unieke werkplaatsen waar bedrijven onderzoeksfaciliteiten delen om zo meer samen te werken

Campussen en werklocaties

Voor een aantal sterke clusters investeert de provincie in campussen en werklocaties. Bijvoorbeeld voor hightech, automotive, logistiek, biobased economy, maintenance. Hier ligt de focus op Research & Development, innovatie en design. Deze clusters hebben veel groei- en innovatiepotentie. Ontwikkeling van deze clusters heeft een positief effect op de groei van het reguliere bedrijfsleven.



Artikel


Brabantse campussen bieden ruimte aan vruchtbare samenwerking

‘We zijn hier wereldkampioen in moeilijke dingen doen’

Noord-Brabant telt achttien campussen waar bedrijven, kennisinstellingen en overheden samenwerken aan onderzoek, innovatie en economische ontwikkeling. De afgelopen jaren is daar veel tot stand gekomen dat een grote positieve impact had op het welvaren van de provincie. Vooral op het gebied van de high tech in de regio Eindhoven, maar ook andere sectoren van de provincie profiteren steeds meer van het campusmodel.

Tijd voor een terugblik en een toekomstvisie in een driegesprek met campusdirecteuren: Petra Koenders van de Green Chemistry Campus (GCC, Bergen op Zoom), afzwaaiend directeur Frans Schmetz, van de High Tech Campus (HTC, Eindhoven) en Bert-Jan Woertman van de gloednieuwe Brainport Industries Campus (BIC, Eindhoven). Over hun ervaringen, het belang en de noodzaak van samenwerking, wat ze hebben bereikt en nog willen bereiken en hoe hun campussen er over tien jaar uit zullen zien.

Het gesprek vindt plaats bij de HTC, de oudste van de drie. Oorspronkelijk van Philips, in 2003 opengesteld en in 2012 verzelfstandigd. Werkt met 11.000 onderzoekers en 170 bedrijven op ‘de slimste vierkante kilometer van Europa’, De GCC is van 2011, werkt samen met chemiebedrijf SABIC en agrobedrijf Prinsenland en richt zich op de circulaire economie, door uit land- en tuinbouwafval grondstoffen voor de chemie te ontwikkelen. De BIC startte september dit jaar en is dus de jongste campus van de drie. Hier moet de nieuwe maakindustrie een gezicht krijgen.

Wat is de toegevoegde waarde van een campus eigenlijk nog in 2018, nu je online met de hele wereld in contact kunt staan? Woertman: ‘Nou, ik vind het opvallend dat je in deze regio ook nu nog steeds een vorm van clustering ziet die uit het netwerk zelf ontstaat. Hier op de HTC is het bottom up ontstaan vanuit Philips, bij de Green Chemistry Campus is het van onderaf gedreven en bij ons ook. Dus kennelijk is er een behoefte om toch bij elkaar te zitten, ook in een tijd dat je met iedereen kunt communiceren.’

Schmetz: ‘Ja, fysieke ontmoetingen zijn toch heel belangrijk. Met online hulpmiddelen kun je veel contacten onderhouden, maar uiteindelijk gaat het toch altijd om mensen. En het ‘kille’ contact via social media is toch anders dan wanneer je mensen ontmoet. Dan leg je pas echt goede contacten, vind ik. De beste ideeën ontstaan nog altijd niet achter een scherm.’

Green Chemistry Campus


De Green Chemistry Campus in West-Brabant is in 2011 opgericht en richt zich op producten op basis van land- en tuinbouwafval voor de chemische industrie.

Brainport Industries Campus


De Brainport Industries Campus opende in september dit jaar haar deuren. De ambitie van deze campus is om dé plek te worden voor de hightech maakindustrie. De kennisinstellingen en bedrijven die zich hier vestigen delen ook faciliteiten als cleanrooms, flexibele productieruimtes en magazijnen. De Brainport Industries Campus is een gezamenlijk initiatief van SDK Vastgoed, Brainport Industries, BOM , De provincie Noord-Brabant en de gemeente Eindhoven. De provincie en de gemeente hebben een belangrijke rol gespeeld in de locatieontwikkeling en de financiering van het innovatieprogramma.

High Tech Campus


High Tech Campus Eindhoven is ‘de slimste km² van Europa’, met meer dan 160 bedrijven en instituten en zo’n 11.000 onderzoekers, ontwikkelaars en ondernemers die werken aan toekomstige technologieën en producten. De drijvende kracht achter de oprichting van de HTC is Philips. Zij opende in 1998 de Philips High Tech Campus, omdat tot dan toe hun R&D-activiteiten verspreid waren over heel Eindhoven. In 2003 werd de campus ook voor andere bedrijven geopend en sinds 2012 is de campus in handen van de onafhankelijke partij Ramphastos Investments.

De beste ideeën ontstaan nog altijd niet achter een scherm.’


Koenders: ‘Ik denk ook dat het te maken heeft met vertrouwen en elkaar kennen. Dat is heel belangrijk. En in de maakindustrie of de chemie komt daarbij dat je een gebouw, vergunningen en spullen nodig hebt. Zeker in een starterspositie kun je dat gewoon niet alleen. In de high tech kun je nog met een laptopje op je slaapkamer beginnen, maar bij ons niet.’ Woertman: ‘Wij onderscheiden ons in deze regio in de kenniseconomie. Dat is meer dan informatie, want die kun je opschrijven of opslaan. Het gaat om wat er in je hoofd zit. Soms is dat wat vaag, en dan heb je een sfeer van vertrouwen nodig om te durven delen. In het ecosyteem hier komt eigenlijk uit elke ontmoeting tussen briljante geesten iets beters is dan wat ze apart in hun hoofd hadden zitten. Die ontmoeting blijft dus echt nodig.’ Op de BIC wordt ook geproduceerd. Is direct contact daarbij ook belangrijk of ligt dat anders dan bij de andere campussen? Woertman: ‘Je concurreert niet meer als bedrijf alleen. Je produceert in een keten, waarbij een OEM (bedrijven die originele onderdelen of eindproducten maken, red.) als Philips of ASML helemaal vooraan zit en hele slimme dingen bedenkt, die voor heel veel geld over de hele wereld worden verkocht. Vroeger ging zo’n OEM naar een fabrikant en zei: ik wil dat jij dit precies zo voor me maakt, en als het niet goed is krijg je een boete. Nu zie je dat de rol van die productieketen door de toenemende complexiteit steeds groter wordt.’ ‘Die fabrikanten wordt gevraagd mee te innoveren, want ASML weet het ook niet allemaal. Die zetten die stip op de horizon, en de keten denkt steeds meer mee. En in die keten wordt ook weer onderling samengewerkt. Dus als je die makers samen onder één dak zet, kunnen ze sneller en goedkoper samen innoveren en kennis delen. Ze kunnen ook samen de juiste mensen delen, want er zijn gewoon te weinig slimme handen en koppen.’ ‘Bij ons maken ze systemen, subsystemen en componenten voor de machines van Philips en ASML. Het is geen massaproductie. Wij excelleren in deze regio in lage volumes en grote complexiteit, machines die je voor heel veel geld kunt verkopen. Wij zijn hier wereldkampioen in moeilijke dingen. Het is niet voor niets zo dat we ook wereldkampioen robotvoetbal zijn. Of de campussen dan de bondscoaches zijn? Nou, meer het trainingscomplex en het stadion. En af en toe als dat nodig is ook de masseur.’


Welke voordelen hebben de campussen voor het regionale economische netwerken?


Koenders: ‘Dat je als campus het leggen van verbindingen faciliteert en stimuleert. Ook verbindingen die anders niet zo voor de hand liggen. We doen dat door domeinen aan elkaar te koppelen, zodat ze van elkaar kunnen leren. De wereld is te ingewikkeld geworden om dat zelf te doen, en onze maatschappij is te complex om als enkel bedrijf of individu alles te weten. Samen lukt dat beter.’ Schmetz:Dat is het ook het fundament van deze campus: je vestigt je hier op twee voorwaarden: je concentreert je op je kerncompetentie, en je verrijkt je met de kennis van anderen, in een open innovatiemodel.’ ‘Bedrijven in de regio moeten beseffen dat samenwerking noodzakelijk is om de ontwikkelingen te kunnen bijbenen, ook de veranderingen in de vraag van de klant. Je móet gewoon aansluiten, anders ben je kansloos. Dan ben je nummer 4 of 5 in de markt, en iedereen wil in de top-3. Als je niet verder komt dan plaats 4 kun je tegenwoordig beter stoppen en iets anders gaan doen.’

‘Je concurreert als waardeketen en niet meer als enkel bedrijf.’


Woertman: ‘Ook bij de BIC zie je die snelle verandering. In de maakindustrie ging het vroeger om de goedkoopste, maar nu gaat het steeds vaker om de slimste. Dus ook daar geldt dat je alleen niet alles kunt weten, en bij elkaar moet gaan zitten. Je concurreert als waardeketen en niet meer als enkel bedrijf. Met elkaar ben je slimmer en kun je een groter verschil maken dan apart.’


Wat hebben jullie campussen Brabant op economisch vlak opgeleverd?

Schmetz: ‘Dan moet je gewoon kijken naar de cijfers. De economische groei in deze regio ligt al jaren boven het gemiddelde van Nederland. Dat ligt niet aan wáár we zitten, maar aan de inhoud. Het aandeel van de maakindustrie in Zuidoost-Brabant in de export van de BV Nederland is substantieel. Dat werd in het verleden vaak niet erkend. Het idee was altijd dat wij een handelsnatie zijn, en dat het maken in het Verre Oosten gebeurde.’ ‘Dat idee is inmiddels aan het verschuiven, dankzij het succes van deze regio en belangrijke spelers als ASML. Die maken hun gecompliceerde machines nog steeds in Veldhoven, en kunnen heel goed uitleggen waarom. Je kunt aan de koele economische cijfers goed zien dat wij bovengemiddeld bijdragen aan de export. Als Nederland met 2 procent groeit, dan groeien wij met 3,5. Als Nederland niet groeit, zitten wij nóg op 1,5 procent.’ Koenders: ‘Als provincie en regio zetten wij in elk geval de kennis over circulair al goed op de kaart. Want die kennis hebben we zeker, maar het is nog te vroeg om die te vertalen naar harde economische waarden. Maar Brabant ziet en erkent dat de kansen er zijn, en daar wordt gelukkig écht in geloofd. Anders hadden we die campus niet. Daar loopt de provincie in voorop, samen met Zeeland trouwens.’ Woertman: ‘Ik heb de exacte cijfers even opgezocht, en daar mag Brabant gewoon heel trots op zijn. De economie van Brainport Eindhoven is in de periode 2006-2016 met gemiddeld 2,5 procent per jaar gegroeid. Dat is tweemaal zo hard als de nationale economie, ondanks de kredietcrisis. En de arbeidsproductiviteit steeg hier met 46 procent, tegen 18 procent in heel Nederland. Dus je ziet, wij zijn het China van Nederland.’ ‘We komen van heel ver. Het moest eerst bijna mis gaan, maar toen zijn we er bovenop gesprongen. Sindsdien zijn we onszelf en Brabant voortdurend opnieuw aan het uitvinden. We kennen elkaar, we vertrouwen elkaar en we weten steeds snel te schakelen. Dat maakt het verschil. Maar ik heb wel zorgen. Dat gevoel van urgentie van de jaren ’90 is weggezakt. Toen ging DAF failliet, saneerde Philips en wist iedereen dat er iets móest gebeuren. ‘Na tien geweldige jaren dreigt dat op de achtergrond te raken. Dat gaat wel goed daar, wordt er gedacht. Maar in nieuwe ontwikkelingen als fotonica heb je écht internationale concurrentie. Als je daar niet meteen bij zit, ben je weg. Mensen beseffen onvoldoende dat wij world league spelen. Daar kun je alleen maar in mee blijven spelen als alle faciliteiten er naar zijn, en alle bestuursorganen de lat ook op dat niveau leggen. En dat besef is er nog steeds niet overal.’

Waar merk je dat bijvoorbeeld aan?


Schmetz; ‘Als je buitenlandse kenniswerkers met een high tech-achtergrond naar deze regio wilt halen, dan moet je er voor zorgen dat ze niet ergens anders naartoe gaan. En da

ar komt de rol van de overheid om de hoek kijken: ze moeten zich hier makkelijk kunnen vestigen, zonder visa-perikelen.’ Koenders: ‘Als je het hebt over een opgave voor de overheid, dan ligt er daar een. Net als met vergunningen en met wetgeving. De overheid moet faciliteren dat wij kunnen doen wat we moeten doen. Als je wilt dat we de kennis hier binnen halen en houden en de kenniswerkers niet weer weglopen, dan moet dat opgepakt worden.’


Open innovatie

Blijven bedrijven niet toch op hun eigen vindingen zitten en hun eigen markt beschermen?


Woertman: ‘Dat is oud denken. Het gaat om toegevoegde waarde. Kijk naar Philips. Ooit verkocht het lampen, nu levert het complete energie-consultancy. Ze lossen jouw hele probleem op. Die ketens in de high tech maakindustrie zeggen tegen jongens als Philips en ASML: wij innoveren mee. Je kunt zelf niet alles weten, dus laat ons op dat stuk waar wij goed in zijn voor jou waarde toevoegen. Dat is een andere kijk. Hoe kan ik van betekenis zijn voor jou?’ Schmetz: ‘Al die bedrijven staan voor hun eigen succes, en dat blijft ook zo. Ze delen wel, maar het is niet zo dat ze hier happy go lucky alles samen doen in een soort oud-communistisch model. Iedereen staat voor zijn eigen markt en aandeelhouders. Alleen zijn de snelheid van de markt en de complexiteit van de techniek zó groot dat je geen expert meer kunt zijn in alle details van je business. Dus je moet je verrijken met kennis van anderen. Doe je dat niet - kijk naar Nokia of Blackberry - dan kun je er een kruis over zetten. Woertman: ‘Je moet je snel kunnen aanpassen en dat kan gewoon makkelijker in een omgeving waarin je samen slim bent. Zo simpel is het.’ Schmetz: ‘Soms spelen bedrijfsbelangen echt nog wel op in die open innovatie. Dan maken bedrijven heel stringente afspraken over intellectueel eigendom als ze gaan delen. Dat moet je goed bewaken. Er zijn hier al diverse modellen voorbij gekomen, heel eenvoudig, maar ook uitgebreid. Zoals bij het Holst Instituut hier, waar 40 bedrijven samenwerken. We hebben hier ook drie patentbureaus om mensen daarbij te assisteren.’ ‘Wij zitten eigenlijk tussen de Technische Universiteiten en de productieketen. De BIC dus, en anderen. En de uitdaging voor de BIC is dan om die anderen naar de BIC te krijgen, om daar ook een momentum te krijgen, waardoor je meer kunt delen en snelheid kunt gaan halen. Opschaling, maar ook heel veel van elkaar gaan leren. Faciliteiten delen, onderwijs goed aansluiten. Het is belangrijk dat je het als een keten ziet.’ Koenders: ‘Bij ons ook. Je moet faciliteren in de keten van business development, en ook gaan kijken welke rol de overheid daarin moet gaan spelen. Loopt die keten vanzelf of niet? De High Tech Campus is gestart vanuit het bedrijfsleven, en had geen overheidssteun nodig, terwijl dat in de circulaire of biobased economie wel heel hard nodig is, anders gebeurt er niets. Dan móet de overheid de initiator zijn. Dat traject is dus anders, maar ook wij helpen bedrijven in verschillende fases.’






‘Je kunt in de chemie immers niet op zolder beginnen, of dat is op zijn minst heel gevaarlijk.’


‘Mijn campus is voor opschaling, en ik merk dat de vijver met startups waaruit ik vis te klein is en dat er niet genoeg vissen in zitten. Ik lobby me daarom suf om te zorgen dat starters op het gebied van chemie en agro gefaciliteerd worden, want dat worden ze niet genoeg. Je kunt in de chemie immers niet op zolder beginnen, of dat is op zijn minst heel gevaarlijk.’ ‘Ik heb dus een startersgebouw nodig, op een mooie plek en met een zware milieuvergunning, waar starters in agro en chemie kunnen werken en samenwerken. En daarvoor heb ik de overheid weer nodig. Het lijkt erop dat ze nu zien dat daar inderdaad een gat zit.’


De toekomst

Hebben jullie campussen over tien jaar nog dezelfde aanjagende rol?


Schmetz: ‘Dat hangt van welke nieuwe technologieën het daglicht zullen zien. Iedereen dacht dat micro-electronica hier de komende dertig jaar het focuspunt zou zijn, maar nu schuiven we heel sterk richting fotonica. Tien jaar geleden dacht iedereen dat dat leuk zou worden voor een kleine niche in de markt, nu zien steeds meer mensen het als de opvolger van micro-electronica. Misschien dat er over vijf of tien jaar weer iets heel anders komt dat interessant is voor de markten waarin wij werken. Dus dat ontwikkelt zich voortdurend.’ Woertman: ’Hier kan de drie-eenheid van overheid, bedrijfsleven en onderwijs bij uitstek een rol spelen. In Amerika stelde de regering Obama vijf jaar terug ineens 500 miljoen dollar beschikbaar voor fotonica. Amerika loopt achter, maar toch, het is heel veel geld, er wonen daar heel veel slimme mensen, er zitten topuniversiteiten. Dan kun je voorlopen als Eindhoven, maar hoe lang hou je dat vol? Gelukkig hebben we de keten goed georganiseerd, maar 500 miljoen en de power van Amerika? Dan hebben wij het hard te halen.’


Onderzoek laat zien dat er 5000 tot 7000 nieuwe banen mogelijk zijn. Dat is veel.


Maar door het in een rapport te zetten zijn ze er nog niet. ‘We vinden met elkaar al best lang dat we het zo moeten doen, maar er moet op een gegeven moment wel garen op de klos komen. Dan moeten we het hier echt gaan doen. Onderzoek laat zien dat er 5000 tot 7000 nieuwe banen mogelijk zijn. Dat is veel. Maar door het in een rapport te zetten zijn ze er nog niet. Dan moet je alles goed doen om te zorgen dat het gebeurt. En daar ligt voor de komende jaren een mooie uitdaging voor die drie-eenheid.’ Koenders: De campus is in feite de kern van het proces. En als inhoud pak je wat er op dat moment ontwikkeld moet worden, als site-organisatie. En natuurlijk ook de branding en het naar buiten positioneren. Dus het proces blijft, ongeacht de inhoud. Ik kan natuurlijk niet in een glazen bol kijken, maar of je over twintig jaar nog campussen in deze vorm nodig hebt, ik weet het niet. Je zou denken van wel, maar dat is voor de toekomst.’ ‘Ik denk wel dat de ontwikkeling van campussen in Nederland de komende jaren gaat veranderen. Het is nu een beetje een paddenstoelenverhaal: ze schieten overal de grond uit. Ik zou zeggen: richt je als overheid op de kansrijke sectoren, leun tegen onderwijs van hoog niveau aan, kijk goed naar de markt, en zet je geld slim in. Het is nu nog te veel: laat duizend bloemen bloeien. Het is een zaak van lange adem, en de levensvatbaarheid van al die campussen is niet gegarandeerd.’